Fernand Clemminck, oud-leerkracht aardrijkskunde

MOTIVATIE: Visie op ons jaarthema

Nogal wat onderwijsmensen zijn de mening toegedaan dat het steeds moeilijker wordt leerlingen te motiveren om zich voor school in te zetten en om zich sociaal verantwoord te gedragen.  De vraag stelt zich hierbij wie zoal verantwoordelijkheid draagt voor de opvoeding van onze kinderen.

In eerste instantie natuurlijk de ouders.  Precies omdat ze de ouders zijn en het kind dus op de wereld hebben gezet.  Ouders die de opvoedkundige en motiverende taak volledig doorschuiven naar de school gaan dus zwaar in de fout en dragen een verpletterende verantwoordelijkheid als het met zoon- of dochterlief de verkeerde kant op gaat.

Uiteraard heeft de school ook haar rol te spelen.  Zo moet het directieteam proberen een algemene sfeer te scheppen waarin leerlingen zich goed voelen.  Een sfeer die jonge mensen bindt aan hun school.  Een school waar ze graag naar toe gaan en fier op zijn.  Een school die een aangenaam leerklimaat schept en een schat aan boeiende informatie meegeeft.

De concrete invulling van deze opvoedkundige en motiverende taak ligt echter bij de individuele leerkrachten.  Zij moeten hiervoor over tal van capaciteiten beschikken om ook de minder gemotiveerde, de minder getalenteerde en de “lastige” leerlingen de juiste weg te wijzen.

De belangrijkste van deze capaciteiten zijn volgens mij:

 Leerkrachten moeten hun vak(ken) door en door kennen.  Niet alleen in het belang van de leerlingen maar ook in hun eigen belang.  Zo hebben leerlingen enerzijds steeds meer waardering voor leerkrachten die “iets te vertellen hebben”.  Vakbekwame leerkrachten anderzijds moeten tijdens de lessen slechts een minimale aandacht besteden aan de eigenlijke leerstof zodat ze hun aandacht vooral kunnen richten op didactiek, methodiek en opvoedkundige aspecten.

Ze moeten echter wel de kans krijgen hun lessen te geven volgens eigen talenten.  Opgelegde didactische richtlijnen zullen immers contraproductief werken als ze de leerkracht niet liggen.  Didactische vrijheid maakt leerkrachten creatiever waardoor de kwaliteit van hun lessen en hun motiverende kracht vergroot.

 Leerkrachten moeten hun lessen met “warmte” geven.  Met gedrevenheid en enthousiasme.  Leerlingen lusten namelijk geen saaie, dorre lessen.  In deze moderne tijd worden ze namelijk dagelijks verwend met en verleid door allerlei “blitse” zaken zoals televisie, DVD, computerspelletjes, internet, chatten, fuiven…

 Leerkrachten moeten in alle omstandigheden menselijk en redelijk zijn.  Ze hebben niet het recht eisen te stellen aan leerlingen die ze niet aan zichzelf stellen.

 Leerkrachten moeten beschikken over een groot “inlevingsvermogen” zonder hun eigenheid te verloochenen.  Alleen dan zullen ze op een adequate manier met jonge mensen om kunnen gaan.  Er zijn nu eenmaal leerlingen die zwaar “puberen” of… die de pedalen kwijt zijn door een spaak gelopen huwelijksrelatie thuis of…  die echt niet stil kunnen zitten of constant aandachtig kunnen zijn omdat de chemie van hun hersenen (nog) niet optimaal functioneert.

 Leerkrachten moeten het belang van zichzelf en hun lessen zeer sterk kunnen relativeren.  Hoofdzaak is het kind als “mens” te benaderen.  De benadering van het kind als “leerling” mag slechts op de tweede plaats komen.

 Leerkrachten moeten veel geduld hebben.  De mens heeft nu eenmaal veel meer tijd nodig om zich te ontwikkelen dan de (andere) dieren.  Een kuiken staat reeds binnen een dag op zijn pootjes, een mens doet er echter een jaar over.

Geef dus aan leerlingen tijd en kansen en bedenk dat Vondel ooit schreef  “Deze langzaamheid past grote daden”.

en niet in het minst…

 Leerkrachten moeten steeds proberen leerlingen positief te benaderen.  Mensen die voortdurend kankeren op en over sommige van hun leerlingen werken demotiverend en schaden daarenboven hun eigen levensvreugde.

Steeds weer moeten onderwijsmensen proberen het (soms weinige) goede te zien en te benadrukken.  Leerlingen aanmoedigen, niet gekunsteld maar oprecht gemeend, is hartverwarmend en komt op termijn het welbevinden en de motivatie van leerlingen en ook leerkrachten ten goede.

Wij moeten er ons op ieder moment bewust van zijn dat wij de (volwassen) opvoeders zijn die de (onvolwassen) opvoedelingen nog groot moeten helpen brengen..

Wetenschappelijk onderzoek heeft daarenboven onomstotelijk aangetoond dat een voortdurend negatieve benadering contraproductief werkt.  Zo mogen ook straffen slechts een ultieme maatregel zijn in een poging een leerling weer op de sporen te zetten.

De taak van leerkrachten is dus niet te onderschatten.  Bij momenten kan ze zelfs loodzwaar zijn.  Een mening die niet altijd door de publieke opinie gedeeld wordt.

Directie, ouders, begeleiders en inspectie moeten dit begrijpen en het nodige krediet geven zodat de leerkracht zelf niet te veel in zijn motivatie geschaad wordt.

We mogen onze verwachtingen echter niet te hoog stellen.  Steeds zullen er leerlingen en waarschijnlijk ook ouders zijn die niet mee willen stappen in dit “project”.  Daarvoor moet de liefde immers van twee kanten komen.

Als (betaalde) leerkrachten-opvoeders hebben we echter de plicht om het altijd opnieuw met niet aflatende inzet te proberen.  Met respect voor de leerling, zonder met ons te laten sollen, en in de hoop zoveel mogelijk van onze schapen op “het droge” te krijgen.

Fernand Clemminck, oud-leerkracht aardrijkskunde Sint-Janscollege.