Nieuwsbrief december

Ruben De Baerdemaeker, leraar Engels, Nederlands en Duits aan het Sint-Janscollege van Sint-Amandsberg, schreef een boeiend artikel voor het Oog van de Meester waarin hij de veelgeprezen vrijheid van onderwijs onder de loep neemt.

Vrijheid van, in, en door onderwijs

Er is een bescheiden schoolstrijd aan de gang over nieuwe eindtermen, en daarbij worden grote thema’s niet geschuwd: de katholieke onderwijskoepel beschuldigt de Vlaamse regering ervan de vrijheid van onderwijs in te perken. Nochtans wordt die vrijheid van onderwijs, zoals we op school leerden, gegarandeerd door onze grondwet. Artikel 24 begint, heerlijk helder: “Het onderwijs is vrij”. 

Die vrijheid is verankerd in een wet – en dus eigenlijk niet vrij, maar discursief gebonden. Net als die andere grondwettelijke vrijheden – van meningsuiting, vergadering en religie – zal onderwijsvrijheid altijd onderhevig zijn aan enig politiek getouwtrek, en mogen we haar niet zomaar als verworvenheid aannemen. Daarbij komt dat de rechtstreeks betrokkenen, directieleden, leerkrachten – laat staan leerlingen – zich vaak helemaal niet zo vrij voelen in het onderwijssysteem. En wie al wat jaren op de teller heeft – of gewoon eens praat met oudere collega’s – merkt algauw dat dat systeem niet evolueert naar méér vrijheid, maar eerder in tegendeel.

Van

Wat (grond-)wettelijk bepaald is, is de vrijheid van onderwijs – dat wil zeggen, de vrijheid om onderwijs in te richten; als inrichtende macht, dus. In de praktijk betekent dat gewoon dat verschillende onderwijskoepels de historische verzuiling van ons land kunstmatig in stand mogen houden. Iedereen weet dat het katholieke onderwijs in overgrote meerderheid wordt bevolkt door leerkrachten en leerlingen die met het katholicisme of zelfs het christendom in se weinig voeling hebben. De ontkerkelijking van het onderwijs is al lang een feit – aan de ontzuiling durft niemand te beginnen.

Is die fundamentele, grondwettelijke vrijheid van onderwijs voelbaar in de eigenlijke onderwijssituatie – datgene wat gebeurt in een klaslokaal, met echte leerkrachten en leerlingen? Niet of nauwelijks. Decretaal bepaalde eindtermen (meestal nog vrij begrijpelijk) worden door de koepels in leerplannen gegoten (soms volslagen onbegrijpelijk), en het realiseren van die leerplannen wordt dan weer gecontroleerd door de overheid – een wat merkwaardige draai, waarmee de cirkel wel verrassend snel rond is. Het huidige getouwtrek over pedagogische vrijheid tussen de katholieke koepel en het ministerie van onderwijs is niet onbelangrijk – maar voor de vrijheid van een leerkracht of leerling maakt het eigenlijk geen verschil of de marsorders nu van een koepel of van de overheid komen. 

De argumentatie van Katholiek Onderwijs Vlaanderen is nochtans interessant. Men vreest het volgende:

Leraren worden louter uitvoerder van wat de overheid voorschrijft. Scholen kunnen nauwelijks nog een eigen aanpak ontwikkelen vanuit hun pedagogisch project. Bovendien sturen de nieuwe eindtermen door hun opmaak (Bloom!) al te zeer het pedagogisch-didactische handelen van leraren en schoolteams. (“Eindtermen. Wie wil morgen nog leraar worden?”)

Het is verfrissend dit te lezen, maar als leerkracht kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het VVKSO – de koepel – vooral zélf het pedagogisch-didactische handelen van leraren wil beïnvloeden, en die macht liever niet afgeeft aan de overheid. Dit politieke steekspel legt een pijnpunt bloot: er wordt gesproken over pedagogische vrijheid, maar de discussie gaat er vooral over welke overkoepelende structuur zich die vrijheid kan toeëigenen. Van wie is die vrijheid van onderwijs? Wie krijgt de macht om die vrijheid in te vullen – en ze daarmee, paradoxaal genoeg, op te heffen?

In

Deze kwestie staat niet los van vrijheid in onderwijs: de vrijheid die een leerkracht heeft in zijn of haar klaslokaal – of waar dat onderwijs dan ook plaatsvindt. Die wordt immers gekaderd door wetgeving (eindtermen), instructies van de koepel (leerplannen), maar ook de inrichtende macht van de school, het schoolreglement, de schooldirectie, en eventueel vakgroepen, zorgbeleid enz. Dat is de structuur van het systeem, en daar is op zich ook weinig mis mee, ware het niet dat die structuur op verschillende manieren steeds panoptischer wordt. 

In het panopticon, de gevangenis die in de achttiende eeuw als hypothese werd geformuleerd door Jeremy Bentham, blijft niets verborgen. Alles wordt gezien door een centrale bewaker (van wie je niet weet of hij naar je kijkt of niet), de transparantie is totaal. 

Ook klasmuren worden doorzichtiger. Steeds meer moet  worden gemeten en gerapporteerd: doelstellingen moeten opgelijst en afgevinkt, “leerwinst” is de graadmeter voor goed onderwijs, en er is weer sprake van centrale toetsen en examens. Verder gaat de onderwijsinspectie er nu van uit dat scholen zelf in kaart moeten brengen én controleren hoe ze presteren volgens het “Referentiekader Onderwijskwaliteit” – inderdaad: schema’s, lijstjes en verslagjes waarin alles wat je doet en betracht moet worden blootgelegd. Op die manier worden scholen, leerkrachten én leerlingen bijna permanent geëvalueerd, vanuit verschillende hoeken: van bovenuit, door anderen op hetzelfde niveau (peerevaluatie), soms ook van onder naar boven (evaluatie door leerlingen en studenten).

Die gigantische productie van kwantificeerbare data is exact wat Michel Foucault beschrijft in Surveiller et punir, het boek waarin hij het panopticon introduceert als structurerend principe van de moderne maatschappij. In die maatschappij moet ook menselijk gedrag zo veel mogelijk worden gemeten en fijnmazig bestudeerd – “cette immense activité d’examen qui a objectivé le comportement humain.” (311) Foucault trekt dus een lijn van een idee voor de ideale gevangenis naar de manier waarop onze maatschappij haar instellingen steeds meer structureert:  “Quoi d’étonnant si la prison ressemble aux usines, aux écoles, aux casernes, aux hôpitaux, qui tous ressemblent aux prisons?”  (229)

Zou het kunnen dat de dominante visie op het onderwijs, waarin rendement centraal staat, waarbij steeds meer moet worden gemeten en waarin iedereen steeds moet kunnen worden gecontroleerd, de vrijheid in het onderwijs aantast? Zou het kunnen dat leerkrachten zich beknot voelen doordat alles wat ze doen moet kunnen worden verantwoord?

Door

Maar het is niet de functie van onderwijs om leerkrachten een bepaalde vrijheid te geven, of om hen in de uitoefening van hun job van die vrijheid te laten genieten. Wat dan nog als die leerkrachten zich onvrij voelen of weten? Zij hebben een job te doen, zij worden daarvoor betaald – met dat geld kopen ze zich dan maar wat vrijheid na de schooluren; bovendien zijn ze “vrij” om een andere baan te zoeken. Onderwijs is er immers voor leerlingen. 

Maar hoe zit het met die leerlingen en de fameuze vrijheid uit onze grondwet? Zij zijn vrij om een school te kiezen – maar in de praktijk is dat vooral de vrijheid van hun ouders, en is ook die vrijheid zeker niet langer absoluut. Kunnen leerlingen vrijheid ervaren in het onderwijs? Hebben zij niet vooral te zwijgen, stil te zitten en leerwinst te boeken?

In zijn boek De terugkeer van het lesgeven stelt onderwijstheoreticus Gert Biesta dat “de pedagogische opdracht bestaat uit het wekken van het verlangen in een andere mens om op een volwassen manier in de wereld te willen zijn” (25). Hij beargumenteert, met omwegen langs vooral Lévinas, Arendt en Rancière, dat de ontmoeting met de leerkracht voor een leerling geen inperking van vrijheid hoeft te zijn, maar die vrijheid net mogelijk maakt – de emancipatie, de ontvoogding van een leerling (die het eigenlijke doel van onderwijs is) gebeurt net door die leerling te laten ervaren wat het betekent om als subject in de wereld te zijn.

Zo bezien verschijnt lesgeven – of, vanuit het standpunt van de leerling: de ervaring van onderwezen worden – niet langer als een inperking van de vrijheid, maar als een uitnodiging om die vrijheid op een volwassen manier ter hand te nemen en op een volwassen manier vorm te geven. (169-170)

En wat voor vrijheid is dat dan? Daarvoor gaat Biesta bij Lévinas te rade: 

niet de liberale notie van vrijheid als doen wat je wilt, maar vrij zijn als “simpelweg datgene doen wat niemand anders in mijn plaats kan doen”, zodat “vrij zijn” hetzelfde is als “aan het allerhoogste gehoorzamen.” (94)

Vrijheid staat in deze visie centraal in het onderwijs, niet alleen als uiteindelijk “doel”, maar ook als praktijk: pas door kinderen en jongeren de vrijheid te geven om als subject te verschijnen, open je de deur naar volwassenheid. En dat doe je door van hen datgene te vragen wat niemand in hun plaats kan doen.

Die idee van Lévinas brengt ons terug naar het wat ongeloofwaardige betoog van Katholiek Onderwijs Vlaanderen: “Leraren worden louter uitvoerder”. Inderdaad is het zo dat, als je als leerkracht louter leerplandoelstellingen mag afvinken, je functie verwatert: er wordt je immers helemaal niet gevraagd om te doen “wat niemand anders in mijn plaats kan doen” – je wordt geheel inwisselbaar. Je collega kan je plaats innemen. Zelfs een algoritme kan net hetzelfde, en wellicht efficiënter. Het wordt je op dat moment, in de visie van Lévinas, eigenlijk onmogelijk gemaakt om als subject op te treden, of, zoals Biesta het verwoordt, om op een volwassen manier in de wereld te zijn.

Finaal gaat het hierom: vrijheid is een basisvoorwaarde voor onderwijs, omdat jonge mensen vrijheid nodig hebben om in hen het verlangen te doen ontstaan om volwassen in de wereld te staan. Dat kunnen ze niet alleen: zij hebben de ontmoeting nodig met volwassenen die op hun beurt als subject kunnen verschijnen in de wereld. Een leraar zonder vrijheid kan geen leraar zijn. Onderwijs en vrijheid gaan een noodzakelijke dialectische relatie aan: onderwijs heeft vrijheid nodig, om “volwassen” vrijheid mogelijk te maken.

De toenemende meet- en regeldrift van zowel overheid als koepels (en, via hen, van inspectie, schoolbesturen en directies) is onrustwekkend omdat ze raakt aan de vrijheid die essentieel is voor ons onderwijs en – dientengevolge – onze maatschappij: de vrijheid van, in, en uiteindelijk door onderwijs. 


Ruben De Baerdemaeker

Bibliografie

Biesta, Gert. De terugkeer van het lesgeven. Phronese, 2018.

“De Belgische grondwet.” https://www.senate.be/doc/const_nl.html

“Eindtermen. Wie wil morgen nog leraar worden?” Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 29 oktober 2020, https://pincette.katholiekonderwijs.vlaanderen/meta/properties/dc-identifier/Sta-20201029-9.

Foucault, Michel. Surveiller et punir. Naissance de la prison. Gallimard, 1975.

Nieuwsflits juni/juli 2020

Oproep aan de leden

De kerngroep van onze vereniging Het oog van de Meester wil uitbreiden met nieuwe leden. Dit betekent: deelnemen aan de vergaderingen (6x per jaar, die meestal in Gent doorgaan), meewerken aan het opstellen van nieuwsbrieven, het volgen van het onderwijsnieuws en de opiniestukken, eventueel het schrijven van artikels. We zijn vooral, maar niet uitsluitend, op zoek naar jonge mensen en naar leraren uit het Technisch en Beroepsonderwijs. Wie stelt zich kandidaat? Laat het weten via het contactformulier op de website.

Het oog van de Meester

Nieuwsbrief november 2019


De broodnodige verhoging van de leerprestaties dwingt tot een minder morsig omgaan met ‘tijd’.

In zijn artikel van 7-8 september 2019 in De Standaard, ‘Nieuw schooljaar, fout debat’ hamerde
prof. Wouter Duyck er opnieuw op dat ‘de leerprestaties de kern zijn van de (onderwijs)zaak’.
Hij blijkt alsnog een roepende in de woestijn, al staaft hij zijn stelling met onthutsende cijfers:
negen maanden langer vooraleer een vijftienjarige hetzelfde niveau van wiskunde haalt als
twaalf jaar eerder, bijna de helft minder toppers, ook voor lezen, wetenschappen, economie en
informatieverwerking veel slechtere resultaten dan vroeger, in het lager onderwijs zes maanden
langer vooraleer een tienjarige evengoed kan lezen als tien jaar geleden, 53 procent (!) van de
leerlingen in het zesde jaar lager onderwijs haalt de eindtermen wiskunde niet, voor Frans haalt
44 procent die minima niet, tegenover negen jaar eerder 7 procent…
Toch lijkt dat nauwelijks te alarmeren.


‘Kindertijd is schermtijd geworden’.


In het onderwijsnummer van De Groene Amsterdammer (9 mei 2019) troffen me een paar
andere artikels: ‘Weg achter het scherm’, over de benadering van de Waldorf school in Silicon
Valley, voorafgegaan door ‘Het smarthone-complex’, over de verontrustende effecten van de
smartphone op de Generatie Z (jongens en meisjes geboren tussen 1995 en 2012). Ook hierin
staan onthutsende cijfers: gemiddeld brengen kinderen in Amerika tot negen uur per dag door
achter een scherm, cijfers in Duitsland spreken van zeven tot acht uur per dag, een trend niet
alleen in de huiskamer maar ook in het onderwijs. ‘Kindertijd is schermtijd geworden’, aldus de
kinderpsycholoog Richard Freed.
In geen van beide artikels wordt gepleit om de smartphone radicaal te weren uit het
schoolleven, maar heel wat wetenschappers en leraren, tot en met de World Health
Organisation, uiten wel hun diepe bezorgdheid over de kwalijke effecten ervan: toename van tal
van lichamelijke klachten zoals bijziendheid, rug-, nek- en duimklachten, stress en slapeloosheid,
verontrustende toename van psychische klachten zoals depressies, eetstoornissen, suïcidale
neigingen ten gevolge van de ‘meedogenloze positiviteit’ en het buitensporige pesten op sociale
media, voortdurende traceerbaarheid en ‘achtervolging’ door bezorgde ouders en groeiend
onvermogen om zich los te maken en te leren alleen te zijn.
Is hiermee niet een belangrijk deel van de ‘zorgnoden’ in ons huidig onderwijs benoemd?
De auteurs van ‘Screen Schooled: Two Veteran Teachers Expose How Technology Overuse Is
making Our Kids Dumber’, twee geëngageerde leraren, signaleren een daling van de
concentratie, gevolgd door een gebrek aan kritisch vermogen en aan fundamentele kennis van
de materie. Freed wijst vooral op de nefaste invloed van de entertainmenttechnologie zoals
computerspelletjes en sociale media, gestoeld op de persuasive technology lab van B.J. Fogg op
Stanford University, waar alles draait om beïnvloeding van de diepste verlangens van
gebruikers, verankerd in het DNA. ‘Spelletjes zoals Fortnite, aldus Freed, zijn ontworpen om
kinderen het gevoel van succes en instant bevrediging te geven. Dat veroorzaakt tragische
teleurstelling in het echte leven’. Marketingformules houden de mythe in stand als zouden
kinderen tot fantastische dingen in staat zijn als ze voor een scherm zitten, maar de waarheid is
anders: volgens de Amerikaanse mediawaakhond Common Sense Media wordt 97% besteed aan
entertainmenttechnologie en sociale media.
Toch gaat de sluipende indoctrinatie verder zijn gang, zoals recentelijk bleek toen in het VRT-
journaal van 16 oktober 2019 games kritiekloos werden opgehemeld als hét middel in de
geschiedenisles om leerlingen kennis bij te brengen.
Wordt het niet de hoogste tijd om deze tijdsinvulling in vraag te stellen? Eerst en vooral in het
onderwijs? Geeft het onderwijs door steeds meer opdrachten via computer en internet te laten
uitvoeren, niet al te zeer een vrijgeleide om ook de andere schermtijd goed te praten?

Effecten op het taalonderwijs.
Het gebruik van de computer werd bovendien door vernieuwers binnen het taalonderwijs
handig gebruikt om oude beproefde didactische methodes taboe te verklaren binnen het
onderwijsdiscours. Alles is immers op te zoeken, studie om inhouden effectief te verwerven is
niet meer nodig. Uit het hoofd leren, volgehouden oefening, een zekere mate van dril worden
steevast weggezet als totaal verouderde methodieken.
Toch heeft dat in mijn eigen beroepspraktijk (Latijn) veel vruchten afgeworpen. Let wel: Latijn is
géén vak voor bollebozen, ieder kind met een goed gemiddeld verstand kan dit aan. Mits
volgehouden studie. En daar wringt tegenwoordig het schoentje voor tal van vakken. Een paar
voorbeelden.
Sinds enkele jaren is de basiswoordenschat van Latijn teruggebracht tot de helft, van ongeveer
1500 woorden tot 750. Gevolg: naast een stevige afname van de geheugentraining kennen
leerlingen nu ook heel courante woorden niet meer (zoals o.a. de naamwoorden color, lingua,
manus, luna, mors, vinum, adversus, nudus, timidus, ultimus…). Bij het lezen van teksten
betekent dit dat veel meer woorden telkens moeten worden aangebracht en dat het leestempo
aanzienlijk vertraagt. Als men evenwel streeft naar leesplezier – toch belangrijk naar
welbevinden en motivatie !- veronderstelt dit een zekere vaart, snelheid bij het lezen. De
ingewonnen tijd geeft ook meer ruimte voor culturele achtergrond en verdieping.
Eenzelfde euvel doet zich voor bij de basisspraakkunst. Lange tijd bood de Latijnse spraakkunst
een stevig houvast als bedding waarin ook de meeste taalfenomenen van de moderne talen terug
te vinden waren. Sinds het Nederlands spraakkunstonderricht een eigen koers is gaan varen
worden veel taalfenomenen pas veel later of slechts impliciet aangeleerd. Vb: zo zijn het lijdend
voorwerp en passief verschoven naar de derde graad, en is een goed begrip van onderschikking
en de daarmee samenhangende voegwoorden steeds minder evident. Hierdoor dreigt nu ook in
het Latijn het spraakkunstonderricht noodgedwongen afgekalfd te worden tot een minimaal
raamwerk. Met alle gevolgen vandien voor een diepgaand taalkundig inzicht.
Wordt het niet de hoogste tijd om de nieuwlichters en experimenteerders binnen de
onderwijsdidactiek naar huis te sturen en opnieuw de leraren zelf aan het woord te laten? Is er
al niet genoeg tijd verloren gegaan aan steeds nieuwe probeersels, nieuwe handboeken?
Besparingen in het onderwijs kunnen misschien ook eens binnen die kringen worden gezocht.
Rosine Van Oost,
Oog van de Meester
Ref.

  • iGeneration: digitale versus tastbare realiteit: het smartphone-complex, door Arthur
    Eaton, De Groene Amsterdammer, jaargang 143, nr. 19-20, pp.82-85
  • Kritisch denken op Waldorf School: Weg achter het scherm, door Laila Frank, De Groene
    Amsterdammer, jaargang 143, nr. 19-20, pp. 86-90

Nieuwsflits april 2019

De Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent,

de MULTIPLES-LL-onderzoeksgroep, uitgeverij Garant en Tijdschrift Over Taal

nodigen u graag uit op de studieavond

Het talenonderwijs in crisis?

Praktisch

De studieavond is gratis. Inschrijven is absoluut noodzakelijk.  Het aantal inschrijvingen is beperkt! De deelnemers krijgen een aanwezigheidsattest.

Locatie: auditorium A108 – A-gebouw (eerste verdieping)- Campus Mercator – Abdisstraat 1 – 9000 Gent

(zie: http://www.vtc.ugent.be/bereikbaarheid ).

Organisatie en verdere info: filip.devos@ugent.be.

Deze studieavond wordt georganiseerd door de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent, de onderzoeksgroep MULTIPLES-LL– Research Centre for Multilingual Practices and Language Learning in Society, in samenwerking met uitgeverij Garant en het Tijdschrift Over Taal.

Programma


– 19.00-19.05u: Verwelkoming (Filip Devos)

– 19.05-19.15u: Inleiding (Veronique Hoste)

– 19.15-19.45u: Het schoolvak Nederlands: pleidooi voor een vakinhoudelijke herwaardering (Joren Somers en Paul De Loore)

Luik Taalkunde (Joren Somers)

De leerplannen Nederlands van het VVKSO maken zich sterk uit te gaan van een zogenaamde ‘brede taalbeschouwing’. Taalkundeonderwijs hoort immers niet ‘op zich’ te staan, maar streeft idealiter de integratie na met de taalvaardigheidscomponent. Nochtans lijkt dat gebrek aan inhoudelijke ambitie mede aan de basis te liggen van de kwalijke reputatie van het schoolvak Nederlands, dat niet zelden als saai, zinloos en afstompend wordt gepercipieerd. Door leerlingen expliciet te confronteren met onderwerpen als taalverandering, psycholinguïstiek of dialectologie creëren leraars een gevoeligheid voor taal als cultuuruiting en bieden ze een inkijk in het vernuft van de menselijke geest.

Luik Letterkunde (Paul De Loore)

De eenzijdige focus op communicatieve vaardigheden heeft de voorbije decennia in het talenonderwijs de literatuur gemarginaliseerd en doen verschrompelen tot een van de vele ‘tekstsoorten’. Ze is er zowaar zelf tot vaardigheid verworden en wordt conform het gebruikelijke jargon omschreven als ‘literaire competentie’. Willen we het talenonderwijs weer interessant en aantrekkelijk maken, weer ‘inhoud’ en ‘ziel’ geven, dan kan dat enkel door de literatuur weer centraal te stellen. Het is de plicht van de taalleraar om het beste, het interessantste en zinvolste dat de taal heeft voortgebracht voor jonge mensen te ontsluiten, tot leven te wekken en door te geven. Een kerntaak van het onderwijs als cultuur-en kennisoverdracht. Dat kan enkel vanuit persoonlijk engagement en passie.

– 19.45-20.15u: Voorbij het geklaag. Taalonderwijs als verzetsdaad (Jordi Casteleyn)

Taal is nog nooit zo populair geweest. De overheid moet bijvoorbeeld campagnes lanceren om studenten naar STEM-richtingen te lokken, niet om jongeren te overtuigen om communicatie te studeren. Maar de eerste keuze van die jongeren is niet meer de opleiding Nederlands aan de universiteit. Daarnaast ontdekken we echter dat het gemiddelde taalvaardigheidsniveau in Vlaanderen geleidelijk aan afneemt, dat goede leerkrachten Nederlands dus enorm welkom zijn, maar dat deze lesgevers steeds minder vaak te vinden zijn. De oplossing voor al deze problemen is complex, moeizaam en duur. Kortom, deze oplossing is heel onaantrekkelijk, maar wel noodzakelijk om de volgende generatie alle kansen te bieden.

20.15-20.45u: De centrale vraag in het vreemdetalenonderwijs en een genuanceerd antwoord (Robert De Keyser)

De vraag over hoeveel grammatica onderwezen moet worden in de vreemdetalenklas en hoe, is eeuwen oud, maar blijft actueel. Niet alleen door veranderingen in terminologie, maar ook en vooral door veranderingen in wie talen leert voor welke doeleinden in welke context. Het is dan ook niet te verwonderen dat het wetenschappelijk onderzoek op dit punt omvangrijk, gevarieerd, en niet altijd gemakkelijk samen te vatten is. Ook in België is onlangs het debat op dit punt weer opgeflakkerd. Ik zal in dit korte betoog (via skype) een overzicht geven van wat we stilaan geleerd hebben en wat we NIET weten en waarom. Dit is hoogst belangrijk om te verstaan waarom alle radicale uitspraken op dit punt onverantwoord en onverantwoordelijk zijn.

– 20.45-21.15u: Wie is er bang van het Nederlands en meerdere vreemde talen? (Kevin R. De Coninck)

Ons talenonderwijs lijkt in crisis. Studentenaantallen nemen af en opleidingen worden stopgezet. Dat moeten we erg vinden omdat we een goede kennis van het Nederlands en meerdere vreemde talen nodig hebben voor onszelf en onze Vlaamse samenleving, cultureel, sociaal én economisch. Het is dus belangrijk dat we er iets aan doen. We kunnen het probleem aan de oppervlakte aanpakken door ons talenonderwijs weer aantrekkelijker te maken, maar als we het probleem structureel willen aanpakken, moeten we ook naar de diepere oorzaken durven te kijken. En dan moeten we vaststellen dat we andere talen te weinig status toekennen binnen onze eigen Vlaamse samenleving en dat we het Nederlands te weinig status toekennen in de wereld. Hieraan moeten we met z’n allen iets durven te veranderen, want we zijn toch niet bang van het Nederlands en de vele andere talen die in Vlaanderen gesproken worden?

– 21.15-21.30u: vragen en discussie

– 21.30u: Receptie

Over de sprekers

Prof. dr. Filip Devos is hoofddocent Nederlands aan de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Tijdschrift Over Taal (zie:  https://tijdschriftovertaal.wordpress.com/).

Prof. dr. Veronique Hoste is voorzitter van de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent (zie: http://www.vtc.ugent.be/).

Joren Somers  studeerde Engelse, Duitse en Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Gent. Sinds 2014 werkt hij als leraar Nederlands en Engels aan het Sint-Lievenscollege in Gent, waar hij lesgeeft in de tweede en de derde graad. Hij is kernlid van Het Oog van de Meester, onafhankelijke denkgroep voor onderwijskwaliteit (zie www.oogvandemeester.be).

Paul De Loore is sinds 1979 leraar Nederlands, Engels en esthetica aan het Sint-Janscollege in Sint-Amandsberg. Hij publiceerde in 2013 een artikel over literatuuronderwijs in Vlaanderen in Ons Erfdeel: ‘Moet er nog kaas zijn?’. Hij is kernlid van Het Oog van de Meester, onafhankelijke denkgroep voor onderwijskwaliteit (zie www.oogvandemeester.be).

Prof. dr. Jordi Casteleyn is verantwoordelijk voor de opleidingsonderdelen Didactiek Nederlands, Didactiek Nederlands aan anderstaligen, en Talenbeleid bij de Antwerp School of Education (Universiteit Antwerpen). Hij doet onderzoek naar het verbeteren van lees- en spreekvaardigheid bij adolescenten. Daarnaast is hij betrokken bij leerplancommissies Nederlands en organisaties zoals Vlaams fonds voor de letteren en Nederlandse Taalunie.

Prof. dr. Robert M. De Keyser is licentiaat Romaanse Filologie (KULeuven, 1979) en Doctor of Philosophy in Education (Stanford University, 1986). Sinds 2005 is hij Professor of Second Language Acquisition aan de University of Maryland (USA). Hij is een wereldautoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving.

Dr. Kevin R. De Coninck is doctor in de Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Gent, voormalig kabinetsmedewerker van Freya Van den Bossche en Fatma Pehlivan (sp.a) en senior adviseur bij de Nederlandse Taalunie. Hij heeft zich gespecialiseerd in taalbeleid en schrijft hierover uit eigen naam opiniestukken voor het Vermeylenfonds.

Nieuwsbrief mei 2018

Verontrustende berichten in de krant naar aanleiding van wetenschappelijk onderzoek naar de kennis van het Nederlands bij onze leerlingen. Vertwijfeling bij de collega’s leraren Nederlands over de leerplannen: ‘Dat mogen we ook al niet meer vragen!’ ‘Dat kunnen ze ook al niet meer!’ Onbegrip bij de andere collega’s, bij ouders, bij werkgevers: waar gaat het met het onderwijs Nederlands naar toe in Vlaanderen?

UCSIA wil zich niet beperken tot de vaak ontmoedigende vaststellingen, maar wil antwoorden bieden:

UCSIA

2016/12/14 – Moet er vrijheid zijn in onderwijs?

14/12/2016 – MOET ER VRIJHEID ZIJN IN ONDERWIJS?

De vraag ‘Moet er vrijheid zijn in onderwijs?’ is een actuele en uitdagende kwestie. Ze nodigt uit tot een symposium – een geanimeerde discussie of een ernstig gesprek over een urgente vraag die ons allen aanbelangt. Dit symposium vindt plaats op 14 december 2016, van 9:00 tot 16:30u. in STUK in Leuven. Daar en dan delibereer je samen met anderen, gewoon met aandacht en interesse voor onderwijs, vrij van belangen.

PRAKTISCH:

 

 

2016/04/18 – 2016/04/26: Nacht van het Onderwijs

Wie wil deelnemen aan de Nacht van het onderwijs kan zich registreren via de website: http://onsonderwijs.be.

De 5 nachten gaan door op
Maandag 18 april, provincie West-Vlaanderen, campus Vives, Torhout
Dinsdag, 19 april, Virginie Lovelinggebouw, VAC Gent
Vrijdag 22 april, UCLL, campus Hertogstraat
Maandag, 25 april, Hendrik van Veldekegebouw, VAC Hasselt
Dinsdag 26 april, campus Groenplaats, Karel de Grote-Hogeschool, Antwerpen

09/12/2015: Onderwijs op de canapé

ONDERWIJS OP DE CANAPE

Met Lieven Boeve, Chris Smit, Imran Uddin, Machteld Verhelst, Lieven Viaene

Grijp uw kans en stel hen uw vragen
Unieke gelegenheid tot rechtstreeks contact
Losse babbel met en over onderwijsbeleid

Woensdag 9 december 2015
Canapé • Kortrijksesteenweg 64 • Sint-Martens-Latem onthaal vanaf 13u30 • aanvang 14u • einde voorzien 16u30 • ruime parking
Gratis aanmelden via gent.cdenv.be/canape

Lieven Boeve: Directeur-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen
“Vanuit onze identiteit kwaliteitsvol onderwijs aanbieden in een veranderende maatschappij.”

Chris Smits: Secretaris-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen
“De loopbaan van de leraar: een evenwichtsoefening van werkgevers en werknemers.”

Imran Uddin: Directeur Onderwijs en Studentenbeleid Arteveldehogeschool
“Bruggen bouwen tussen secundair en hoger onderwijs.”

Machteld Verhelst: Pedagogisch directeur Katholiek Onderwijs Vlaanderen
“Leraren ondersteunen tot op de klasvloer, met minder regels maar met meer professionaliteit.”

Lieven Viaene: Inspecteur-generaal Onderwijsinspectie
“Inspectie als vrijheidsbeknottende of eerder inspirerende en stimulerende partner?”