Fb-Button

Nieuwsbrief september 2020

Elke leerling achter zijn scherm

In de aanloop van het nieuwe schooljaar verschenen in de pers artikels die het afstandsonderwijs bejubelen als vernieuwend en zaligmakend (bvb. ‘Katholiek onderwijs breekt lans voor afstandsonderwijs’ in DS van 18 augustus ll.), terwijl op het eind van vorig schooljaar de meningen toch eerder verdeeld waren en er ook genoeg stemmen waren die wezen op de tekortkomingen van het les volgen via de computer (bvb. ‘Onelinelessen zijn geen lessen’ in DM van 2 juli ll.). Met het Oog van de Meester willen we niet elke vernieuwing a priori veroordelen, maar sluiten we ons toch meer aan bij de kritische stemmen. We publiceerden daarover al een nieuwsbrief in mei, maar willen nu verder op de kwestie ingaan.

Meer en meer tijd brengen leerlingen voor een scherm door, om te gamen, om de social media te raadplegen, en nu ook om les te volgen. Ons treft het toenemend sociaal en communicatief onvermogen van onze leerlingen, dat in de hand wordt gewerkt door social media en het zo bejubelde afstandsonderwijs. De social media hebben er fijntjes voor gezorgd dat wij, en specifiek dan onze leerlingen, hoofdzakelijk enkel nog met gelijkgezinden communiceren, en ons danig ergeren aan tegenstemmen. Iets dergelijks schijnt nu door het op het individu afgestemde afstandsonderwijs veroorzaakt te worden. Daarom zijn we met het Oog van de Meester bevreesd dat leerlingen het in het komende schooljaar moeilijker en moeilijker zullen hebben in groep te functioneren en de school als leefomgeving te ervaren. De toon van ‘ieder voor zich’ is vorig jaar gezet, en het zal niet eenvoudig zijn het tij te keren.

Het is prachtig dat de toenemende artificiële intelligentie (AI) ons in staat stelt te communiceren en les te volgen via onze smartphone of laptop, maar het zou nog veel prachtiger zijn mocht onze humane intelligentie (HI) gelijke tred houden. We willen met het Oog van de Meester afstandsonderwijs en gebruik van social media niet aan elkaar gelijk stellen, maar stellen toch vast dat beiden een terugplooien op het eigen ‘ik’ veroorzaken.

Wanneer leerlingen aangeven dat ze graag van thuis uit les volgen, is dat vaak uit gemakzucht, en omdat ze het ‘storende element’ van hun medeleerlingen thuis niet ervaren. Het gebeurt vandaag zelfs dat verstandige leerlingen niet meer naar school wensen te gaan en ervoor kiezen, niet uit noodzaak maar uit vrije keuze, op eigen houtje te studeren en hun examens af te leggen voor de Centrale Examencommissie. Ook zij wensen niet meer aan het klasgebeuren deel te nemen. Maar wanneer een generatie niet meer met het ‘storende element’ van de klas / de samenleving wenst geconfronteerd te worden, dan ziet de toekomst er somber uit.

Social media hebben er de voorbije jaren al voor gezorgd dat elke nuance uit het maatschappelijk debat is verdwenen. De president van de VS is voor de enen de Messias, voor de anderen een gevaarlijke gek. Vluchtelingen zijn voor de enen heiligen die ons land komen verrijken met hun prachtige culturele gewoonten, voor de anderen bandieten die de criminaliteitscijfers hier komen opkrikken. De koloniale periode van Congo was voor de enen de gouden eeuw van dat land, voor de anderen de eeuw van verschrikking. Emotie viert hoogtij, en een gezonde intellectuele distantie wordt verketterd als een emotieloze ivoren toren-mentaliteit.

Afstandsonderwijs dreigt hetzelfde effect te hebben. Leerinhouden zullen inderdaad wel kant en klaar door de individuele leerling thuis geabsorbeerd worden, maar we kunnen ons moeilijk voorstellen dat klasdiscussies, interessante uitweidingen, genuanceerde stellingnames, onderlinge luisterbereidheid enz… evenveel via de computer zullen plaatsvinden als in de klas.

Het Oog van de Meester blijft dus overtuigd van de onvervangbaarheid van echte lessen, en vraagt kritisch te blijven tegenover de jubelkreten over afstandsonderwijs. Het vraagt zich ook af hoe men nu al met zoveel stelligheid kan verkondigen dat de leerwinst even groot is op afstand als via direct contact, wanneer de gevolgen van de sluiting van de scholen vorig schooljaar eigenlijk pas zichtbaar zullen zijn in de loop van en tegen het einde van het komende schooljaar.

Aan iedereen een goede start gewenst,

Kris De Boel, augustus 2020

Nieuwsflits juni/juli 2020

Oproep aan de leden

De kerngroep van onze vereniging Het oog van de Meester wil uitbreiden met nieuwe leden. Dit betekent: deelnemen aan de vergaderingen (6x per jaar, die meestal in Gent doorgaan), meewerken aan het opstellen van nieuwsbrieven, het volgen van het onderwijsnieuws en de opiniestukken, eventueel het schrijven van artikels. We zijn vooral, maar niet uitsluitend, op zoek naar jonge mensen en naar leraren uit het Technisch en Beroepsonderwijs. Wie stelt zich kandidaat? Laat het weten via het contactformulier op de website.

Het oog van de Meester

“Livesessies zijn geen lesmethode” – Nieuwsbrief mei 2020

In coronatijden wordt meer dan ooit duidelijk hoe belangrijk en cruciaal de figuur van de leraar is. En
ook al zijn jongeren vandaag meer dan vertrouwd met communicatie via beeldschermen, in
videolessen ontbreekt de belangrijkste dimensie van vormend onderwijs. Die bezorgdheid verwoordde
lerares Josephine Dapaah in De Standaard van maandag 27 april als volgt: “Ik wil weer voor de klas
staan en mijn ding kunnen doen. Livesessies zijn geen lesmethode.”


Hoe gebrekkig en zielloos het huidige afstandsonderwijs ook moge verlopen, het is ongetwijfeld beter
dan helemaal niets. Via opgenomen lessen of Zoomsessies kunnen leraars hun leerlingen blijvend
stimuleren en een noodzakelijke vinger aan de pols houden. Volgens in technologie bedreven en
ervaren leraren verloopt het lesgebeuren zelfs een stuk efficiënter dan normaal: blokken van 50
minuten worden vervangen door kant-en-klare lesbrokken van hoogstens een half uur waarin de
meest noodzakelijke leerstof wordt verwerkt. Met uitzondering van enkele technische mankementen is
het in de digitale klas ook opvallend rustig. Leerlingen vervallen er niet in onderling geklets en
verplichten hun leraars amper tot tucht. En wie weet wordt er ook harder gewerkt, want de
passievelingen, onverschilligen, mentaal afwezigen en ongeïnteresseerden kunnen zich niet langer
wegstoppen achter hun actieve en aandachtige klasgenoten, maar worden er nu toe verplicht het heft
in eigen handen te nemen.


Dit neemt niet weg dat het afstandsonderwijs toch maar blijft wat het is en we het zeker niet mogen
overschatten. Onderwijs gebeurt in eerste instantie door het directe contact tussen opgroeiende
jongeren en inspirerende volwassenen, die vanuit studie en levenservaring en met passie hun kennis
en levenswijsheid overbrengen. Het heeft in essentie niets te maken met het afvinken van
leerplandoelen of steriel presenteren van leerstof. Onderwijs gaat over persoonlijkheid, charisma,
intuïtie, inspiratie, spontaneïteit en humor. Inspirerende leraren overstijgen de leerstof. Ze laten lessen
organisch evolueren, weiden uit en halen – wars van het voorgeschreven curriculum – elke dag het
beste uit hun leerlingen. Het mag er in de digitale les dan wel efficiënt aan toe gaan, van een echte
klasgeest is er geen sprake.

Goede leraars bestaan bij gratie van de aanwezigheid van hun leerlingen, maar het omgekeerde is
evenzeer waar. De centra voor leerlingbegeleiding (CLB’s) moesten in maart tot 40% meer gezinnen
bijstaan om ‘zorgwekkende thuissituaties’ het hoofd te bieden. Wat het aantal tussenkomsten in
‘verontrustende situaties’ betreft, rapporteerden ze een toename van 50% (De Standaard, 24 april
2020). Het sociale en emotionele isolement waarin leerlingen zich op dit moment bevinden, baart
zorgen. Een klas is immers ook een plek waar samen kan worden gelachen, waar je ondeugend kan
zijn, kritiek en emoties kan uiten.

De besten van de klas zullen het meest gebaat zijn bij afstandsonderwijs; de staart van de klas het
minst. De besten zijn het meest gemotiveerd en krijgen thuis de meeste ondersteuning; bij de
zwakkeren geldt het tegenovergestelde. Zij hebben de fysieke school en de fysieke leraar nodig, die
hen opvolgt en moed inspreekt. De kloof tussen de verschillende onderwijsvormen wordt verder
uitgediept, want waar abstracte stof zich nog vrij makkelijk leent tot een digitale aanpak, geldt dat veel
minder voor praktijklessen en ervaringsgerichte activiteiten in het technisch, beroeps- en
kunstonderwijs.


Hoe vernuftig alle technologie voor afstandsonderwijs ook moge zijn, de huidige situatie leert ons dat
goed onderwijs méér is dan de leerstof op een didactisch verantwoorde manier aanbrengen. Het gaat
over menselijke interactie en empathie, en die kunnen enkel ontstaan dankzij de warme, bezielende
aanwezigheid van de leraar.

Joren Somers

Nieuwsbrief maart 2020

In memoriam George Steiner (overleden 3 feb. 2020)

De roeping van leraar. Er is geen hoogstaander beroep. In een ander mens krachten, dromen die je
eigen dromen te boven gaan opwekken; anderen liefde inblazen voor wat je liefhebt; van jouw
innerlijkheden hun toekomst maken: dat is een drieledig avontuur als geen ander.

(George Steiner, Het oog van de meester, De Bezige Bij 2004, p. 189)

L’aula vuota – Het lege klaslokaal

Onlangs werd in Italië een boek gepubliceerd dat de dramatische toestand van het Italiaanse
onderwijs schetst: de gerenommeerde historicus Ernesto Galli della Loggia schreef ‘L’aula vuota –
come l’Italia ha distrutto la sua scuola’ (Marsilio ed., 2019) (Het lege klaslokaal – hoe Italië zijn school
heeft vernietigd’). Omdat het evenzeer over een analyse van het Vlaamse onderwijs zou kunnen gaan,
hebben we het interessant geacht enkele citaten uit dit boek hieronder weer te geven. De strijd die
‘het Oog van de Meester’ voert, blijkt een strijd te zijn die in meerdere Europese landen wordt
gestreden…
Over feitenkennis en over een samenleving waarin de mensen nog weinig historisch besef hebben
schrijft de auteur: “Men moet zich, tenslotte, niet voortdurend afvragen of het wel nuttig is al die
feiten te kennen, maar eerder of het dan zo nuttig is ze niet te kennen.” (p. 26)
Perfect herkenbaar is zijn opmerking over de verdwijnende leescultuur in Italië: “… een land dat
tegenwoordig grotendeels een land zonder cultuur is geworden, een land dat niet meer leest, dat zich
informeert op de sociale media, dat niet meer gewoon is te redeneren en dat alsmaar meer
opgezweept wordt door primaire emoties of, slechter nog, door oorlogszuchtige impulsen. Een land
dat de kennis van zijn eigen geschiedenis aan het verliezen is en dat het eigen verleden achter zich
werpt, zonder dat trouwens de verspreiding van een betekenisvolle, toekomstgerichte technisch-
wetenschappelijke cultuur zou waar te nemen zijn.” (p. 32)
Over de tegenstelling tussen onderwijs en andere sectoren: in andere sectoren merkt men vlug als
iets niet goed gaat, in het onderwijs niet. Dit euvel wordt meer en meer bevestigd door onderzoeken
(PISA, OESO,…) die de achteruitgang van de kwaliteit van het onderwijs vaststellen. Waarom begint
dit pas nu door te dringen? Omdat een systeem waarin alle leerlingen slagen (doelstelling van het
moderne onderwijs) de indruk wekt een goed systeem te zijn: “In het geval van de school dringt het
moeilijk door bij de publieke opinie dat de zaken slecht gaan: het volstaat dat aan het einde van het
jaar iedereen er door is. De negatieve effecten zijn pas op de lange termijn te zien, vooral wanneer
het zicht belemmerd wordt door een dik, diffuus ideologisch gordijn. (p. 37)
Over de macht en het jargon van pedagogen: “De pedagogie is de overheersende cultuur geworden in
de school, de enige aan de hand waarvan de school spreekt; en zoals een echte stadswal heeft een
soort ondoordringbare orwelliaanse Newspeak het onderwijs ingesloten.” (p. 41)
Over de afkeer van ‘autoriteit’ in het moderne onderwijs: “Omdat geweld het meest geschikte middel
is om menselijke wezens tot gehoorzaamheid te dwingen, en omdat een typisch gevolg van autoriteit
nu net gehoorzaamheid is, besluit men daaruit verkeerdelijk dat autoriteit ook altijd geweld
impliceert, dus dat autoriteit altijd iets van geweld in zich draagt. Exact het tegenovergestelde is
waar.” (p. 50)

Een volgend hoofdstuk van het boek gaat over de invloed van Jean-Jacques Rousseau die de verre
filosofische grondlegger is van een onderwijs dat gebaseerd is op ‘zelf-ontdekkend leren’,
‘experimenteren’, ‘doen in de plaats van kennen’,…, kortom, de mantra’s van het moderne
onderwijs.
In het Vlaamse onderwijs herkennen we ook de dwang om alles in teamverband te doen (zelfs
oudercontacten e.d.) en het gebrek aan vertrouwen in het oordeel van de individuele leerkracht.
Over de gelijkaardige Italiaanse situatie schrijft de auteur: “Vandaag, daarentegen, wordt meer dan
de autonomie van de individuele leerkracht de functionele autonomie van een collectief bevorderd.
Leerkrachten zien hun individueel profiel vervagen. Ze zijn verantwoording verschuldigd aan hun
gelijken met wie ze “in overeenstemming” moeten zijn, aan wier mening ze op duizend verschillende
manieren gebonden zijn, terwijl ze hun eigen activiteit moeten afstemmen op een gezamenlijk
besliste richting.” (p. 143)
Wat verder beschrijft Galli della Loggia de afkeer, in de huidige eindtermen, van alles wat te maken
heeft met inhoud en met ‘van buiten leren’. Hij laakt het ondoordringbare jargon van ‘ambitieuze’
eindtermen, een jargon dat niets anders doet dan een gebrek aan inhoud maskeren. Als voorbeeld
geeft hij doelstellingen uit een leerplan natuurwetenschappen, die verwachten dat de hedendaagse
twaalfjarige (!) Italiaanse jongere tot het volgende in staat is: (p. 170)
a. Situaties, feiten en fenomenen onderzoeken;
b. Variërende en niet-variërende eigenschappen, analogieën en verschillen herkennen;
c. Gegevens registreren, ordenen en met elkaar in verband brengen;
d. Probleemstellingen geven en oplossingen voorstellen;
e. Verifiëren of er overeenkomst is tussen geformuleerde hypothese en resultaten van het
experiment;
f. In een logisch schema verschillende vragen plaatsen;
g. De courante wetenschappelijke terminologie begrijpen en zich duidelijk, rigoureus en
synthetisch kunnen uitdrukken;
h. Specifieke taalvormen van de wiskunde en van de positieve wetenschappen gebruiken en
uitwerken (!)
i. Op een kritische wijze stellingen en informatie beoordelen om zo te komen tot gefundeerde
overtuigingen en bewuste beslissingen.
Het is duidelijk dat men met dergelijke doelstellingen geen modale twaalfjarigen voor ogen heeft,
maar eerder toekomstige Isaac Newtons of Marie Curies. Deze enorme spagaat tussen utopische
eindtermen en de barre realiteit is ook in Vlaanderen wraakroepend. Amper 30% van de leerlingen
behaalt de eindtermen Frans aan het einde van het Lager Onderwijs – en toch krijgen ze allen hun
diploma.
Het boek is een soort “J’accuse”, en op het einde doet de schrijver enkele positieve voorstellen. Zijn
voorstellen die hij onlangs ook in de krant ‘Il Corriere della Sera’ deed verschijnen (ban alle gsm’s en
tablets uit de scholen 1 ; laat de leraar vooraan weer op een podium staan,…) ontlokten echter een
lawine van kritiek.
Het belangrijkste voorstel dat Galli della Loggia in dit boek doet gaat nochtans naar de kern van de
zaak: hij plaatst ‘de utopie van de bevrijding’ zoals gepropageerd in het moderne onderwijs (elk
individu moet zichzelf autonoom bevrijden, hooguit met wat hulp van een leraar-coach) tegenover
‘de utopie van de ontvoogding’ zoals gepropageerd in het klassieke onderwijs (elk individu wordt
1 Zie onze nieuwsbrief van april 2017 over digitale media

bevrijd door anderen die al vrij zijn, die kennis hebben, door leraren-meesters…): “Ik ben ervan
overtuigd dat men boven die utopie van de bevrijding een andere utopie moet verkiezen: de utopie
van de ontvoogding, zijnde het idee dat onderwijs iets moet zijn dat van buitenaf gebeurt, namelijk
vanuit de bewuste intentie van een historisch gegeven collectiviteit (de Italianen, de Vlamingen, de
Europeanen – n.v.d.r.) tegenover haar jongste leden; het idee dat onderwijs zich vooropstelt in eerste
instantie van hen cultureel gevormde mensen te maken, autonoom en verantwoordelijk over zichzelf
– noodzakelijke voorwaarde om vrij en sociaal zo gelijk mogelijk te worden. (p. 235)

Kris De Boel (Oog van de Meester)

Nieuwsbrief januari 2020

Leesvaardigheid & eindtermen Nederlands

Ze lezen niet meer!’

Een vaak gehoorde klacht van ouders en leraren, en bevestigd door alarmerende resultaten van het PISA-onderzoek. Kinderen spelen liever computerspelletjes of zitten op sociale media i.p.v. saaie boeken te lezen. De Vlaamse leerlingen geven amper blijk van leesplezier: de helft van de Vlaamse vijftienjarigen bestempelt lezen zelfs als tijdverlies.’ De Standaard, 03/12/’19

‘Het onderzoek geeft aan dat scholen in Vlaanderen duidelijk minder tijd besteden aan taal en lezen dan in de andere landen. In de Vlaamse scholen is de instructietijd in de loop van de jaren gedaald.  Zowel leerlingen als ouders geven aan dat ze weinig positief staan tegenover lezen, 31% heeft zelfs een eerder negatieve houding tegenover lezen. Opmerkelijk is dat Vlaamse ouders aangeven dat ze weinig voorlezen aan hun kinderen. Leerlingen die iedere dag lezen, scoren merkelijk beter dan leerlingen die nauwelijks of nooit lezen.’ Peilingsproef Nederlands in 2018, Persbericht kabinet Vlaams minister van Onderwijs, 5 december 2017 – onderwijsvlaanderen.be

Hoe kunnen we de ontlezing tegengaan?

Minister Weyts wil een team experten aanstellen dat nog maar eens zal onderzoeken wat er schort en dat maatregelen moet voorstellen om de neerwaartse trend terug om te buigen. Hij wil ook dezelfde proef voor alle scholen om te ‘meten of we erin slagen om leerwinst te boeken. Het zal zeker tien jaar duren voor we effecten van die aanpak zien.’ De Standaard, 03/12/’19

Om na tien jaar te constateren dat het leesniveau nog verder gedaald is?

Op 1 september 2019 werden officieel de nieuwe eindtermen ingevoerd voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Zijn de nieuwe eindtermen op het gebied van leesvaardigheid ambitieus genoeg om het tij te keren?

Op de website van de Vlaamse Overheid staat te lezen dat “communicatie het belangrijkste doel is van taalonderwijs”. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat negen van de dertien nieuwe basisdoelen expliciet geformuleerd worden in termen van productieve en receptieve vaardigheden. Van de overige basisdoelen wordt er één gewijd aan grammatica, twee aan cultureel bewustzijn (waarvan één attitudinaal van aard) en één aan literatuur. Voor de uitbreidingsdoelen is het beeld niet anders: het gros betreft er wederom communicatieve vaardigheden.

De nieuwe eindtermen Nederlands voor de eerste graad verschillen hiermee amper van de vorige generatie en lijken bovendien weinig goeds te voorspellen voor de tweede en de derde graad, die in 2021 respectievelijk 2023 met nieuwe eindtermen zullen gaan werken. Opnieuw lijkt vakinhoud enkel waardevol geacht te worden als ze door een communicatieve trechter kan gehaald worden. Nochtans viel te hopen dat de geesten intussen gerijpt waren, temeer omdat het laatste PISA-onderzoek jammerlijk aantoonde dat zelfs een expliciet communicatieve aanpak geen garantie vormt voor beter ontwikkelde vaardigheden. In zijn column in HP/De Tijd van 5 december 2019 maakte Ilja Leonard Pfeijffer een gelijkaardige analyse. Hij koppelt de intussen veelvuldig bediscussieerde tanende leesvaardigheid aan een gebrek aan kennis en algemene ontwikkeling. Immers, zo betoogt Pfeijffer: “Zonder kennis kun je geen boek lezen en zonder een boek te lezen kun je geen kennis opdoen. En als je niet snapt waar het over gaat, wordt lezen nooit leuk.” Leesvaardigheid en leesplezier vormen inderdaad twee kanten van dezelfde medaille. In het licht van diezelfde leesvaardigheid blijft het overigens onbegrijpelijk waarom literatuur binnen het moedertaalonderwijs maar niet de plaats wordt toebedeeld die ze verdient. 

Nochtans is het door de lectuur van fictionele teksten dat jongeren het best leren lezen. Verhalen voeden niet alleen hun fantasie, maar zijn ook spannend, grappig, ontroerend, leren hen de mens en de wereld kennen, verrijken hun woordenschat, taal- en stijlgevoel, zijn gelaagder en genuanceerder dan de andere louter utilitaire tekstsoorten. Literatuur ‘stimuleert kritische reflectie over tijdloze maatschappelijke en morele vraagstukken en faciliteert interculturele dialoog’. (Koen De Temmerman, De Standaard, 16/08/’19). Bovendien vergt een roman lezen meer inspanning, concentratie en leestijd dan een reclameboodschap of instructie.

In plaats van literatuur te reduceren tot enkele schamele eindtermen zou de overheid haar beter als deel van de oplossing gaan zien eerder dan als een obstakel.

Alles staat en valt met leraren en ouders die zelf lezen.

Hoe wil je kinderen aanzetten tot lezen als je als leraar/ouder zelf nauwelijks leest?

Docenten in de lerarenopleiding getuigen dat hun studenten Nederlands (!) met tegenzin boeken lezen. Een van de eerste vragen die ze stellen bij inschrijving is: ‘Hoeveel boeken moeten we dit jaar lezen?’

Leraren die zelf niet lezen, ze worden eerder regel dan uitzondering. Ouders die geen tijd hebben om samen met hun kinderen te lezen, voor te lezen of zelf te lezen, minder uren leestijd op school, hoeft het nog te verwonderen dat de leesvaardigheid van kinderen en tieners in Vlaanderen achteruitboert?

Is het niet gewoon de verantwoordelijkheid van elke ouder, elke onderwijzer, elke leerkracht Nederlands om er iets aan te doen?

Ouders door voor te lezen en dat te blijven doen, ook als het kind al kan lezen.

Leraren door veel voor te lezen in de klas en vele uren leestijd in de klas te voorzien. De school (de leraar) is het des te meer aan zichzelf verplicht de leerlingen te stimuleren tot lezen naarmate de ouders die taak niet op zich nemen. 

Wil je echt kunnen lezen, dan moet je er eerst vele leeskilometers op zitten hebben. Daar ontbreekt in de huidige leerplannen de tijd voor. Het aantal leesuren is de laatste jaren drastisch verminderd, met de bekende gevolgen.

De Franse schrijver Daniel Pennac hield in 1992 in zijn essay ‘Comme un roman.’ (‘In een adem uit. Het geheim van het lezen’) een vurig pleidooi voor het lezen van romans. Hij herinnert aan het natuurlijk proces van ademloos luisteren naar verhalen dat ieder kind doet en hoe die fascinatie bij veel kinderen verdwijnt eens ze zelfstandig kunnen lezen en niet langer voorgelezen worden.

Als de middelbare school dan nog eens met het dogma ‘lezen moet’ en analyse-drang alle leesplezier vergalt, verdwijnt elke zin in lezen. Boeken dienen niet om geanalyseerd te worden, maar om gelezen, genoten te worden. Nochtans is lezen leuk. Lezen-uit-behoefte is een geschenk dat de fantasie vleugels geeft.

Pennac beschrijft hoe hij als leraar in een beroepsschool erin slaagde al zijn leerlingen aan het lezen te krijgen door de eerste les te beginnen voorlezen uit Patrick Süskinds ‘Het Parfum’. De volgende les vroegen zijn leerlingen hem om verder voor te lezen en uiteindelijk gingen ze zelf het boek ontlenen in de bibliotheek en lazen ze het helemaal uit. Ook in ons taalgebied brak lerares en schrijfster Ruth Lasters een lans voor literatuur in het beroepsonderwijs.

Wat we dus in eerste instantie in de klas nodig hebben zijn gedreven vertellers, die zelf fervente lezers zijn en die door veel voor te lezen en verhalen te vertellen hun leerlingen kunnen besmetten met de leesmicrobe.

                                                                                                                              Joren Somers – Paul De Loore

Nieuwsbrief november 2019


De broodnodige verhoging van de leerprestaties dwingt tot een minder morsig omgaan met ‘tijd’.

In zijn artikel van 7-8 september 2019 in De Standaard, ‘Nieuw schooljaar, fout debat’ hamerde
prof. Wouter Duyck er opnieuw op dat ‘de leerprestaties de kern zijn van de (onderwijs)zaak’.
Hij blijkt alsnog een roepende in de woestijn, al staaft hij zijn stelling met onthutsende cijfers:
negen maanden langer vooraleer een vijftienjarige hetzelfde niveau van wiskunde haalt als
twaalf jaar eerder, bijna de helft minder toppers, ook voor lezen, wetenschappen, economie en
informatieverwerking veel slechtere resultaten dan vroeger, in het lager onderwijs zes maanden
langer vooraleer een tienjarige evengoed kan lezen als tien jaar geleden, 53 procent (!) van de
leerlingen in het zesde jaar lager onderwijs haalt de eindtermen wiskunde niet, voor Frans haalt
44 procent die minima niet, tegenover negen jaar eerder 7 procent…
Toch lijkt dat nauwelijks te alarmeren.


‘Kindertijd is schermtijd geworden’.


In het onderwijsnummer van De Groene Amsterdammer (9 mei 2019) troffen me een paar
andere artikels: ‘Weg achter het scherm’, over de benadering van de Waldorf school in Silicon
Valley, voorafgegaan door ‘Het smarthone-complex’, over de verontrustende effecten van de
smartphone op de Generatie Z (jongens en meisjes geboren tussen 1995 en 2012). Ook hierin
staan onthutsende cijfers: gemiddeld brengen kinderen in Amerika tot negen uur per dag door
achter een scherm, cijfers in Duitsland spreken van zeven tot acht uur per dag, een trend niet
alleen in de huiskamer maar ook in het onderwijs. ‘Kindertijd is schermtijd geworden’, aldus de
kinderpsycholoog Richard Freed.
In geen van beide artikels wordt gepleit om de smartphone radicaal te weren uit het
schoolleven, maar heel wat wetenschappers en leraren, tot en met de World Health
Organisation, uiten wel hun diepe bezorgdheid over de kwalijke effecten ervan: toename van tal
van lichamelijke klachten zoals bijziendheid, rug-, nek- en duimklachten, stress en slapeloosheid,
verontrustende toename van psychische klachten zoals depressies, eetstoornissen, suïcidale
neigingen ten gevolge van de ‘meedogenloze positiviteit’ en het buitensporige pesten op sociale
media, voortdurende traceerbaarheid en ‘achtervolging’ door bezorgde ouders en groeiend
onvermogen om zich los te maken en te leren alleen te zijn.
Is hiermee niet een belangrijk deel van de ‘zorgnoden’ in ons huidig onderwijs benoemd?
De auteurs van ‘Screen Schooled: Two Veteran Teachers Expose How Technology Overuse Is
making Our Kids Dumber’, twee geëngageerde leraren, signaleren een daling van de
concentratie, gevolgd door een gebrek aan kritisch vermogen en aan fundamentele kennis van
de materie. Freed wijst vooral op de nefaste invloed van de entertainmenttechnologie zoals
computerspelletjes en sociale media, gestoeld op de persuasive technology lab van B.J. Fogg op
Stanford University, waar alles draait om beïnvloeding van de diepste verlangens van
gebruikers, verankerd in het DNA. ‘Spelletjes zoals Fortnite, aldus Freed, zijn ontworpen om
kinderen het gevoel van succes en instant bevrediging te geven. Dat veroorzaakt tragische
teleurstelling in het echte leven’. Marketingformules houden de mythe in stand als zouden
kinderen tot fantastische dingen in staat zijn als ze voor een scherm zitten, maar de waarheid is
anders: volgens de Amerikaanse mediawaakhond Common Sense Media wordt 97% besteed aan
entertainmenttechnologie en sociale media.
Toch gaat de sluipende indoctrinatie verder zijn gang, zoals recentelijk bleek toen in het VRT-
journaal van 16 oktober 2019 games kritiekloos werden opgehemeld als hét middel in de
geschiedenisles om leerlingen kennis bij te brengen.
Wordt het niet de hoogste tijd om deze tijdsinvulling in vraag te stellen? Eerst en vooral in het
onderwijs? Geeft het onderwijs door steeds meer opdrachten via computer en internet te laten
uitvoeren, niet al te zeer een vrijgeleide om ook de andere schermtijd goed te praten?

Effecten op het taalonderwijs.
Het gebruik van de computer werd bovendien door vernieuwers binnen het taalonderwijs
handig gebruikt om oude beproefde didactische methodes taboe te verklaren binnen het
onderwijsdiscours. Alles is immers op te zoeken, studie om inhouden effectief te verwerven is
niet meer nodig. Uit het hoofd leren, volgehouden oefening, een zekere mate van dril worden
steevast weggezet als totaal verouderde methodieken.
Toch heeft dat in mijn eigen beroepspraktijk (Latijn) veel vruchten afgeworpen. Let wel: Latijn is
géén vak voor bollebozen, ieder kind met een goed gemiddeld verstand kan dit aan. Mits
volgehouden studie. En daar wringt tegenwoordig het schoentje voor tal van vakken. Een paar
voorbeelden.
Sinds enkele jaren is de basiswoordenschat van Latijn teruggebracht tot de helft, van ongeveer
1500 woorden tot 750. Gevolg: naast een stevige afname van de geheugentraining kennen
leerlingen nu ook heel courante woorden niet meer (zoals o.a. de naamwoorden color, lingua,
manus, luna, mors, vinum, adversus, nudus, timidus, ultimus…). Bij het lezen van teksten
betekent dit dat veel meer woorden telkens moeten worden aangebracht en dat het leestempo
aanzienlijk vertraagt. Als men evenwel streeft naar leesplezier – toch belangrijk naar
welbevinden en motivatie !- veronderstelt dit een zekere vaart, snelheid bij het lezen. De
ingewonnen tijd geeft ook meer ruimte voor culturele achtergrond en verdieping.
Eenzelfde euvel doet zich voor bij de basisspraakkunst. Lange tijd bood de Latijnse spraakkunst
een stevig houvast als bedding waarin ook de meeste taalfenomenen van de moderne talen terug
te vinden waren. Sinds het Nederlands spraakkunstonderricht een eigen koers is gaan varen
worden veel taalfenomenen pas veel later of slechts impliciet aangeleerd. Vb: zo zijn het lijdend
voorwerp en passief verschoven naar de derde graad, en is een goed begrip van onderschikking
en de daarmee samenhangende voegwoorden steeds minder evident. Hierdoor dreigt nu ook in
het Latijn het spraakkunstonderricht noodgedwongen afgekalfd te worden tot een minimaal
raamwerk. Met alle gevolgen vandien voor een diepgaand taalkundig inzicht.
Wordt het niet de hoogste tijd om de nieuwlichters en experimenteerders binnen de
onderwijsdidactiek naar huis te sturen en opnieuw de leraren zelf aan het woord te laten? Is er
al niet genoeg tijd verloren gegaan aan steeds nieuwe probeersels, nieuwe handboeken?
Besparingen in het onderwijs kunnen misschien ook eens binnen die kringen worden gezocht.
Rosine Van Oost,
Oog van de Meester
Ref.

  • iGeneration: digitale versus tastbare realiteit: het smartphone-complex, door Arthur
    Eaton, De Groene Amsterdammer, jaargang 143, nr. 19-20, pp.82-85
  • Kritisch denken op Waldorf School: Weg achter het scherm, door Laila Frank, De Groene
    Amsterdammer, jaargang 143, nr. 19-20, pp. 86-90

Nieuwsbrief september 2019

Open brief aan de toekomstige minister van onderwijs

Geachte toekomstige onderwijsminister
Er dreigt een schrijnend tekort aan leraren. U wil daar als kersvers minister van Onderwijs
iets aan doen.
Wij zijn van mening dat veel jonge mensen afhaken of er niet meer aan beginnen, niet
omdat het werk hen afschrikt of omdat de job hen niet interesseert, niet uit gebrek aan
motivatie en enthousiasme, maar omdat ze verstrikt geraken door de dwang tot
samenwerking en eenvormigheid, door de niet aflatende stroom aan pedagogische
hervormingen, door de juridisering en de daarmee gepaard gaande bureaucratisering en
administratieve planlast. Dat is u bekend.
Velen worden bovendien in de klaspraktijk geconfronteerd met tanende erkenning van en
respect voor het gezag van de leraar.
De leraren die het overleven en er voluit blijven voor gaan, zijn zij die hun autonomie weten
te behouden en die de verplichtingen en regels relativeren en zich concentreren op wat
essentieel is in onderwijs: persoonlijk contact met leerlingen en vakkennis op een gedreven
manier overbrengen.
Waarom vandaag nog kiezen voor een loopbaan in het onderwijs? Onderwijs is volgens ons
een zeer zinvolle job, die ontzettend veel persoonlijke voldoening geeft.
Mogen wij u enkele suggesties aan de hand doen?

  1. Je vormt de volgende generatie. Je bouwt samen met hen aan de toekomst.
  2. Jonge mensen zien groeien en ontwikkelen en daar een actieve rol in spelen geeft
    voldoening.
  3. Je blijft jong, flexibel en scherp van geest door dagelijkse omgang met jongeren.
  4. Je krijgt waardering, erkenning en respect als autoriteit in je vak.
  5. Je kan je persoonlijke interesses ontwikkelen, beleven en doorgeven. Lesgeven is
    levenslang leren.
  6. Je geeft kennis en cultuur door aan de volgende generatie.
  7. Je vervult als mentor een voorbeeldfunctie, de beste vorm van opvoeding.
  8. Je kan je werk zelf organiseren en samenwerken met collega’s die dezelfde interesses
    delen.
  9. Je beschikt over een grote autonomie, de beste remedie tegen burn-out.
  10. Je krijgt een fatsoenlijk loon voor een vaste job met werkzekerheid. Je hoeft niet te
    concurreren met anderen om hogerop te geraken.
    Wij hopen dat u dit voorop blijft stellen in uw beleid.
    Vriendelijke groeten

Het Oog van de Meester www.oogvandemeester.be onafhankelijke denkgroep van leraren,
die zich bekommeren om de kwaliteit en de toekomst van ons onderwijs.

Nieuwsbrief juni 2019

Talenonderwijs in crisis? – Verslag studieavond

Op donderdag 25 april 2019 organiseerde de vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent een studieavond voor leraars moderne talen in het secundair onderwijs over de crisis in het talenonderwijs. Aanleiding was de alarmerende berichtgeving omtrent het talenonderwijs in Vlaanderen: de achteruitgang van de talenkennis en het niveau begrijpend lezen, de saaiheid van het schoolvak Nederlands en de terugloop van het aantal letterenstudenten.

Joren Somers en Paul De Loore, beiden kernleden van het Oog van de Meester, hielden elk vanuit een andere invalshoek een warm pleidooi voor een vakinhoudelijke herwaardering van het schoolvak Nederlands.

Joren Somers pleitte voor een herwaardering van de taalkunde als zelfstandige vakcomponent tegenover de geïntegreerde en tot taalreflectie gereduceerde aanpak die vandaag de leerplannen beheerst. Taalkunde biedt immers een unieke inkijk in de menselijke natuur en uit onderzoek blijkt dat het motiverend werkt. Voorts kan taalkundige kennis ons wapenen tegen demagogie en vormen van taalmisbruik.

Paul De Loore brak een lans voor de literatuur als kern van het talenonderwijs. Kennismaking met het beste wat er in onze taal (en in andere) is geschreven is essentieel om jonge mensen in hun volle persoonlijkheid te vormen en te cultiveren.  Door intensieve omgang met goede literatuur leren ze de mens, de samenleving en de wereld kennen, breiden ze hun ervaring en hun leefwereld uit, leren ze zich inleven in de ander, worden ze getraind in kritisch en genuanceerd denken en leren ze beter lezen, schrijven, luisteren en spreken. Gepassioneerde leraren die interessante teksten tot leven wekken, kunnen het talenonderwijs, het vak Nederlands en de talenrichtingen op academisch niveau weer aantrekkelijk maken door de literatuur weer centraal te stellen.

Onder de titel Voorbij het geklaag. Taalonderwijs als verzetsdaad trachtte Jordi Casteleyn, professor didactiek Nederlands aan de Universiteit Antwerpen, de doemdenkerij over het Vlaamse talenonderwijs te nuanceren. Hij ziet drie domeinen waarop het beleid zich dient te focussen om de heersende crisis het hoofd te bieden: het onderwijssysteem, de lerarenopleiding en meertalige leerlingen. Voor het schrijfonderwijs, waarover het onderzoek al het verst gevorderd is, stelde hij de volgende basisregels: geef directe instructie (~ vakdidactiek), integreer schrijven en lezen (~ vakkennis), geef feedback (~ pedagogie). Wat de meertalige leerlingen betreft, gaf hij drie aanbevelingen: leg de lat hoog voor woordenschat via expliciete, weldoordachte en rijke instructie, zet in een eerste fase sterk in op de mondelinge taalvaardigheid en zorg voor een evenwichtige leesinstructie, waarin het leren decoderen hand in hand gaat met het leren begrijpen en het aanwakkeren van leesplezier.

Professor Robert Dekeyser van de Universiteit van Maryland, wereldautoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving, vertelde in zijn Skypelezing dat internationaal onderzoek onomstotelijk aantoont dat expliciet vreemdetalenonderwijs beter werkt dan louter impliciete instructie, zelfs voor studenten in het buitenland en kinderen. Hij beklemtoonde wel dat de aanpak ook afhangt van de context waarin een vreemde taal wordt aangeleerd en de noden van de leerlingen (leeftijd, beschikbare tijd, beoogde niveau, cognitief vermogen …).

Kevin De Coninck, senior adviseur van de Nederlandse Taalunie, ten slotte, hield een pleidooi ter verdediging van de status van het Nederlands in de wereld. Hij beklemtoonde dat de crisis in het talenonderwijs in een ruimer kader dient te worden gezien: als we het probleem structureel willen aanpakken, moeten we ook naar de diepere oorzaken durven te kijken. Vlaanderen kent immers te weinig status toe aan het Nederlands en, met uitzondering van het Engels, aan andere vreemde talen.

Nieuwsflits april 2019

De Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent,

de MULTIPLES-LL-onderzoeksgroep, uitgeverij Garant en Tijdschrift Over Taal

nodigen u graag uit op de studieavond

Het talenonderwijs in crisis?

Praktisch

De studieavond is gratis. Inschrijven is absoluut noodzakelijk.  Het aantal inschrijvingen is beperkt! De deelnemers krijgen een aanwezigheidsattest.

Locatie: auditorium A108 – A-gebouw (eerste verdieping)- Campus Mercator – Abdisstraat 1 – 9000 Gent

(zie: http://www.vtc.ugent.be/bereikbaarheid ).

Organisatie en verdere info: filip.devos@ugent.be.

Deze studieavond wordt georganiseerd door de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent, de onderzoeksgroep MULTIPLES-LL– Research Centre for Multilingual Practices and Language Learning in Society, in samenwerking met uitgeverij Garant en het Tijdschrift Over Taal.

Programma


– 19.00-19.05u: Verwelkoming (Filip Devos)

– 19.05-19.15u: Inleiding (Veronique Hoste)

– 19.15-19.45u: Het schoolvak Nederlands: pleidooi voor een vakinhoudelijke herwaardering (Joren Somers en Paul De Loore)

Luik Taalkunde (Joren Somers)

De leerplannen Nederlands van het VVKSO maken zich sterk uit te gaan van een zogenaamde ‘brede taalbeschouwing’. Taalkundeonderwijs hoort immers niet ‘op zich’ te staan, maar streeft idealiter de integratie na met de taalvaardigheidscomponent. Nochtans lijkt dat gebrek aan inhoudelijke ambitie mede aan de basis te liggen van de kwalijke reputatie van het schoolvak Nederlands, dat niet zelden als saai, zinloos en afstompend wordt gepercipieerd. Door leerlingen expliciet te confronteren met onderwerpen als taalverandering, psycholinguïstiek of dialectologie creëren leraars een gevoeligheid voor taal als cultuuruiting en bieden ze een inkijk in het vernuft van de menselijke geest.

Luik Letterkunde (Paul De Loore)

De eenzijdige focus op communicatieve vaardigheden heeft de voorbije decennia in het talenonderwijs de literatuur gemarginaliseerd en doen verschrompelen tot een van de vele ‘tekstsoorten’. Ze is er zowaar zelf tot vaardigheid verworden en wordt conform het gebruikelijke jargon omschreven als ‘literaire competentie’. Willen we het talenonderwijs weer interessant en aantrekkelijk maken, weer ‘inhoud’ en ‘ziel’ geven, dan kan dat enkel door de literatuur weer centraal te stellen. Het is de plicht van de taalleraar om het beste, het interessantste en zinvolste dat de taal heeft voortgebracht voor jonge mensen te ontsluiten, tot leven te wekken en door te geven. Een kerntaak van het onderwijs als cultuur-en kennisoverdracht. Dat kan enkel vanuit persoonlijk engagement en passie.

– 19.45-20.15u: Voorbij het geklaag. Taalonderwijs als verzetsdaad (Jordi Casteleyn)

Taal is nog nooit zo populair geweest. De overheid moet bijvoorbeeld campagnes lanceren om studenten naar STEM-richtingen te lokken, niet om jongeren te overtuigen om communicatie te studeren. Maar de eerste keuze van die jongeren is niet meer de opleiding Nederlands aan de universiteit. Daarnaast ontdekken we echter dat het gemiddelde taalvaardigheidsniveau in Vlaanderen geleidelijk aan afneemt, dat goede leerkrachten Nederlands dus enorm welkom zijn, maar dat deze lesgevers steeds minder vaak te vinden zijn. De oplossing voor al deze problemen is complex, moeizaam en duur. Kortom, deze oplossing is heel onaantrekkelijk, maar wel noodzakelijk om de volgende generatie alle kansen te bieden.

20.15-20.45u: De centrale vraag in het vreemdetalenonderwijs en een genuanceerd antwoord (Robert De Keyser)

De vraag over hoeveel grammatica onderwezen moet worden in de vreemdetalenklas en hoe, is eeuwen oud, maar blijft actueel. Niet alleen door veranderingen in terminologie, maar ook en vooral door veranderingen in wie talen leert voor welke doeleinden in welke context. Het is dan ook niet te verwonderen dat het wetenschappelijk onderzoek op dit punt omvangrijk, gevarieerd, en niet altijd gemakkelijk samen te vatten is. Ook in België is onlangs het debat op dit punt weer opgeflakkerd. Ik zal in dit korte betoog (via skype) een overzicht geven van wat we stilaan geleerd hebben en wat we NIET weten en waarom. Dit is hoogst belangrijk om te verstaan waarom alle radicale uitspraken op dit punt onverantwoord en onverantwoordelijk zijn.

– 20.45-21.15u: Wie is er bang van het Nederlands en meerdere vreemde talen? (Kevin R. De Coninck)

Ons talenonderwijs lijkt in crisis. Studentenaantallen nemen af en opleidingen worden stopgezet. Dat moeten we erg vinden omdat we een goede kennis van het Nederlands en meerdere vreemde talen nodig hebben voor onszelf en onze Vlaamse samenleving, cultureel, sociaal én economisch. Het is dus belangrijk dat we er iets aan doen. We kunnen het probleem aan de oppervlakte aanpakken door ons talenonderwijs weer aantrekkelijker te maken, maar als we het probleem structureel willen aanpakken, moeten we ook naar de diepere oorzaken durven te kijken. En dan moeten we vaststellen dat we andere talen te weinig status toekennen binnen onze eigen Vlaamse samenleving en dat we het Nederlands te weinig status toekennen in de wereld. Hieraan moeten we met z’n allen iets durven te veranderen, want we zijn toch niet bang van het Nederlands en de vele andere talen die in Vlaanderen gesproken worden?

– 21.15-21.30u: vragen en discussie

– 21.30u: Receptie

Over de sprekers

Prof. dr. Filip Devos is hoofddocent Nederlands aan de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Tijdschrift Over Taal (zie:  https://tijdschriftovertaal.wordpress.com/).

Prof. dr. Veronique Hoste is voorzitter van de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent (zie: http://www.vtc.ugent.be/).

Joren Somers  studeerde Engelse, Duitse en Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Gent. Sinds 2014 werkt hij als leraar Nederlands en Engels aan het Sint-Lievenscollege in Gent, waar hij lesgeeft in de tweede en de derde graad. Hij is kernlid van Het Oog van de Meester, onafhankelijke denkgroep voor onderwijskwaliteit (zie www.oogvandemeester.be).

Paul De Loore is sinds 1979 leraar Nederlands, Engels en esthetica aan het Sint-Janscollege in Sint-Amandsberg. Hij publiceerde in 2013 een artikel over literatuuronderwijs in Vlaanderen in Ons Erfdeel: ‘Moet er nog kaas zijn?’. Hij is kernlid van Het Oog van de Meester, onafhankelijke denkgroep voor onderwijskwaliteit (zie www.oogvandemeester.be).

Prof. dr. Jordi Casteleyn is verantwoordelijk voor de opleidingsonderdelen Didactiek Nederlands, Didactiek Nederlands aan anderstaligen, en Talenbeleid bij de Antwerp School of Education (Universiteit Antwerpen). Hij doet onderzoek naar het verbeteren van lees- en spreekvaardigheid bij adolescenten. Daarnaast is hij betrokken bij leerplancommissies Nederlands en organisaties zoals Vlaams fonds voor de letteren en Nederlandse Taalunie.

Prof. dr. Robert M. De Keyser is licentiaat Romaanse Filologie (KULeuven, 1979) en Doctor of Philosophy in Education (Stanford University, 1986). Sinds 2005 is hij Professor of Second Language Acquisition aan de University of Maryland (USA). Hij is een wereldautoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving.

Dr. Kevin R. De Coninck is doctor in de Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Gent, voormalig kabinetsmedewerker van Freya Van den Bossche en Fatma Pehlivan (sp.a) en senior adviseur bij de Nederlandse Taalunie. Hij heeft zich gespecialiseerd in taalbeleid en schrijft hierover uit eigen naam opiniestukken voor het Vermeylenfonds.

Nieuwsbrief maart 2019

Talenonderwijs in crisis

Verwonderd dat het aantal kandidaat-filologen slinkt? Sla er eens een paar schoolboeken vreemde talen en Nederlands van het middelbaar onderwijs op na; bekijk de leerplannen. De jarenlange, eenzijdige focus op communicatieve vaardigheden heeft het interessantste en zinvolste onderdeel van het talenonderwijs: literatuur en cultuur, gemarginaliseerd. Wil je jongeren motiveren om talen te studeren, geef dan weer volop literatuur!

Paul De Loore, leraar Nederlands, in naam van het Oog van de meester

Vindt u ook dat taalonderwijs meer moet bieden dan communicatie? Neem deel aan de opiniepeiling op onze Facebookpagina: https://www.facebook.com/oogvdmeester/

Stuur deze nieuwsbrief door naar collega’s en geïnteresseerden!