Nieuwsbrief 4 – mei 2016

Het eindtermendebat: de spanning tussen democratie  en deskundigheid

Stel: ik ervaar een lichte, maar chronische, zeurende pijn aan een of ander lichaamsdeel. Een ongemak, te licht om onmiddellijk naar de dokter te hollen maar toch te vervelend om het zomaar daarbij te laten. Ik consulteer het internet en ik krijg prompt een aantal raadgevingen hoe dat ongemak te verhelpen. Er wordt mij een zalf aangeraden, op doktersvoorschrift weliswaar. Uiteindelijk moet ik dus toch bij de dokter gaan, en die raadt mij geen zalf aan, maar iets helemaal anders, pakweg, een warmwaterkuur. Ik wijs de dokter op het bestaan van het door de website aangeraden zalfje, en merk tot mijn verbazing dat de man nauwelijks zijn ergernis kan verbergen. Uit wat hij zegt leid ik de oorzaak van zijn ergernis af. Hij schijnt boos te zijn op mij en zich af te vragen of ik, patiënt, het misschien beter weet dan hij, deskundige, met een vorming van dik zes jaar en met talloze bijscholingen achter de rug. En ik begrijp zijn ergernis wel een beetje, en besef dat ik in zekere zin het vertrouwen in zijn deskundigheid heb beschaamd.

Pas bovenstaande situatie toe op het onderwijs. Enerzijds heb je de leraar, deskundige met een vorming van x-aantal jaren en talloze bijscholingen achter de rug, anderzijds ‘de maatschappij’, zijnde een verzamelterm voor ouders, leerlingen, opiniemakers en andere betrokkenen. In het debat over de eindtermen vertolken zij hun mening, uiten zij hun verwachtingen. Ze poneren wat de leraar, de deskundige, moet doen en hoe hij het moet doen, en ze doen dit vaak niet gehinderd door enige vorm van kennis ter zake. In de loop van de voorbije decennia is de leraar gewoon geraakt aan lieden van allerlei slag die voortdurend zeggen wat hij moet doen en hoe hij het moet doen. De doorsnee leraar staat erbij en kijkt ernaar, en denkt bij zichzelf: ‘De beste stuurlui staan weer eens aan wal. Wat gaan ‘ze’ nu weer allemaal uitvinden?’ Is dit een corporatistische reflex van de gemiddelde leraar? Hieronder volgen enkele bedenkingen van leraars-kant bij het lopende debat.

Het is de verdienste van minister Hilde Crevits het debat over de eindtermen op gang te hebben getrokken via de actie “van LeRensbelang”. Het is een goede zaak dat de maatschappij (leerlingen, ouders, pedagogen, journalisten, politici, enz…) meedenkt over die eindtermen. Dit gebeurt via vier kernvragen, via vijf provinciaal georganiseerde debatten in de tweede helft van april en via een Festival van het Onderwijs in het Vlaams Parlement op 13 mei (zie www.onsonderwijs.be). De vier kernvragen zijn de volgende:

Wat moet elke jongere op school leren om deel te nemen aan de maatschappij van morgen?

Wat moet elke jongere op school leren om zich persoonlijk te ontwikkelen?

Wat moet elke jongere op school leren om later aan het werk te kunnen?

Wat moet elke jongere op school meekrijgen om levenslang verder te kunnen leren?

 

Als leraar heb ik het debat de voorbije weken gevolgd en op school mee vorm gegeven door op school de vijfdejaars secundair onderwijs aan de hand van bovenstaande vragen te laten debatteren, en één ding valt mij voortdurend op: vaak gaan de gevoerde debatten – ook op de site www.onsonderwijs.be – niet over de eindtermen (Wat moet elke jongere kunnen?) maar over de manier waarop men denkt die eindtermen te kunnen bereiken (Minder theoretisch onderwijs! Meer computers of tablets in de klas! enz…). Ik vind dat op die manier de discussie wordt scheefgetrokken. Akkoord dat de maatschappij – in casu: het Vlaams parlement – wil vastleggen wat leerlingen moeten kunnen, de dag van vandaag, maar niet akkoord met het feit dat de maatschappij gaat bepalen hóé dit moet gebeuren. Dat is en blijft, mijns inziens, het voorrecht van de deskundige, zijnde de leraar die voor de klas staat – zoals een maatschappij misschien wel kan bepalen welke ziektes men prioritair moet bestrijden en hoe men het geld van de sociale zekerheid best aanwendt, maar het toch de dokter is die zal bepalen op welke manier hij de ziektes in kwestie best bestrijdt.

Laten we ons daarenboven toch hoeden voor een aantal valkuilen die in de debatten telkens terugkeren: de valkuil dat de maatschappij in die mate zou veranderd zijn dat niets nog is wat het was; de overtuiging dat informatie gelijk is aan kennis of dat opzoeken gelijk is aan denken; de overtuiging dat minder abstractie en minder theorie zouden leiden tot meer toepasbare kennis; de overtuiging dat de werkvorm waarin de leraar onderwijs verstrekt bepalender zou zijn dan de inhoud die hij verstrekt; de (vrij recente) overtuiging dat meerdere leraars voor de klas zetten – een groepspraktijk, zeg maar, om de vergelijking met de medische wereld verder te zetten – automatisch beter zou zijn dan één leraar.

Maar misschien is de grootste valkuil wel dat diegenen die alles moeten uitvoeren over het hoofd worden gezien. Minister Crevits ziet dit zelf ook in, want ze beklemtoont nu en dan het belang van de leraar, en lijkt zich bewust te zijn van het gevaar van een verstikkende bureaucratisering. Ze pleit vanuit deze bekommernis voor een grotere autonomie van de leraar en een beperking van het aantal eindtermen. Het zou dus niet slecht zijn mocht de doorslaggevende mening in heel de discussie die van de leraar zijn. Nu heb ik teveel de indruk dat de deskundige zwijgt, en een zoveelste golf van verandering over zich heen laat trekken. Ik ken teveel oudere collega’s die zeggen: ‘Laat ze maar doen – eens alles overgewaaid is doen we toch weer onze zin.’ Ik ken teveel jongere collega’s die zich niet bewust zijn van het belang dat ze in de huidige discussie hun stem laten horen. En ik lees helaas teveel artikels waarin die jongere collega’s tegen de oudere opgezet worden, bijvoorbeeld in de discussie over de vaste benoeming, wat verhindert dat de leraars eensgezind naar buiten komen.

Dit is met andere woorden een oproep om deskundigen aan het woord te laten en deskundigheid te laten zegevieren. Het mag niet zo zijn dat democratie verwordt tot een systeem waarbij vele mensen hun mening doordrukken over dingen waar ze weinig over weten.

Kris De Boel

Leraar klassieke talen – godsdienst – geschiedenis

Sint-Bavohumaniora, Gent

(verschenen in Tertio van 27 april 2016)