Kennis en vaardigheden

Kennis en vaardigheden.

 

Kennis versus vaardigheden. De discussie woedt nu al meerdere dagen op de opiniepagina’s van kranten, en als leraar klassieke talen wil ik er ook mijn steentje toe bijdragen.

 

Eerst en vooral kan niet genoeg herhaald worden dat het hier gaat om een valse tegenstelling. Kennis zonder vaardigheden die eruit voortvloeien is nutteloos. Vaardigheden die niet op kennis gebaseerd zijn bestaan niet. In de 16 jaar dat ik lesgeef heb ik nog nooit een vaardigheid zien toenemen daar waar de kennis afnam.

 

Een andere valse tegenstelling die in de discussie soms binnensluipt is die tussen exacte wetenschappen en menswetenschappen (waaronder ook de talen). Men laat het soms uitschijnen dat bij de exacte wetenschappen wel een theoretische basiskennis – de wiskunde – vereist is, en bij de menswetenschappen en talen niet, of minder. Maar laat ik het zo formuleren: wat de wiskundige logica is voor de exacte wetenschappen, dat is de grammaticale logica voor de menswetenschappen en talen. Zowel logica als grammatica abstraheren de werkelijkheid, en inzicht in logica en grammatica doen de leerling de werkelijkheid vatten.

 

Leraars anno 2006 worden geconfronteerd met leerplannen en eindtermen die het alsmaar meer hebben over toegepaste kennis, over functionele kennis, over kennis ‘waar je iets mee bent’, over kennis die leidt tot vaardigheden. Op zich vind ik dat uitstekend. Kennis moet immers toepasbaar zijn, kennis moet leiden tot vaardigheden. Dus dan denk ik: hoe algemener die kennis is, hoe meer ze toepasbaar is en hoe meer ze in concrete situaties tot vaardigheden zal leiden. En dan lijkt het mij van het allergrootste belang algemene kennis te blijven inoefenen. Logica en grammatica.

 

Niets daarvan echter in leerplannen, beleidsnota’s, studies, enz… Op beleidsniveau is immers de omgekeerde redenering te horen: weg met het abstraherend denken want dat is wereldvreemd; weg met de theoretische wiskunde want daar ben je toch niet veel mee in een concrete situatie; weg met de Latijnse grammatica want die sluit niet aan bij de leefwereld van de leerlingen.

 

Ik ga even dieper in op die grammatica. Minister Frank Vandenbroucke hield in september 2005 een toespraak getiteld ‘De lat hoog voor talen in iedere school’. De leraars moderne en klassieke talen in Vlaanderen waren verheugd dat een minister bekommerd was (en nog steeds is) om het niveau van het taalonderricht in de Vlaamse scholen. De bekommernis van de minister geldt de diepe kloof die er gaapt tussen leerlingen met moedertaal Nederlands en leerlingen met een andere moedertaal. Maar het is ook niet bijster goed gesteld met de taalvaardigheid van autochtone, Vlaamse leerlingen, aldus de minister.

 

Aansluitend bij de toespraak van de minister werd dit jaar een nota geschreven die een antwoord probeert te geven op de door de minister gestelde problemen. Die nota schetst ook de evolutie van het taalonderricht de laatste tien jaar in Vlaanderen, en op p16 lees ik het volgende: “De keuze om (een tiental jaren geleden) het traditionele grammaticaonderwijs (lees: ‘kennis’) te vervangen door het huidige taalbeschouwingsonderwijs (lees: ‘vaardigheden’), vooral over het taalgebruik maar ook over het taalsysteem, werd gestoeld op de overweging dat het traditionele grammaticaonderwijs een te hoog abstractieniveau heeft voor kinderen van basisschoolleeftijd, en dat het traditionele grammaticaonderwijs weinig effect heeft op de taalvaardigheid van leerlingen.”

 

Daar schrik ik toch eventjes van op. Een tiental jaren geleden heeft men dus geoordeeld dat een systeem dat in de Oudheid op punt werd gesteld en dat sinds het humanisme in onze contreien werd gebruikt, plots niet meer deugde (te moeilijk en geen positieve effecten) en dus aan vervanging toe was. Al wie dus taalonderwijs in onze gewesten heeft genoten vanaf de 16de eeuw tot de laatste jaren van de 20ste eeuw heeft zijn taalvaardigheid blijkbaar aan zichzelf te danken en niet aan het onderwijs. Ik vind dat een belediging voor al die leraars die mij zijn voorgegaan, alsook voor mezelf en mijn klasgenoten van wie ik weet dat de meesten zich heel goed kunnen uitdrukken in het Nederlands, in het Frans, in het Engels, in het Duits. En dan vraag ik me ook af: waar komt die legendarische taalvaardigheid van de Vlamingen dan vandaan, als het traditionele taalonderricht dan toch zo slecht was?

 

“Onderwijs in taalbeschouwing (lees ‘vaardigheden’) sluit veel beter aan bij de ervaringswereld en het begripsvermogen van leerlingen,” staat op de volgende pagina van de nota te lezen. Ervaringswereld? Als leraar meen ik dat het geen kwaad kan als het onderwijs leerlingen in aanraking brengt met zaken buiten hun ervaringswereld. Begripsvermogen? Ik zie niet in waarom het begripsvermogen van de leerlingen die nu in de klas voor mij zitten, kleiner zou zijn dan het mijne toen ik hun leeftijd had. Ik weiger dit te geloven. Ik heb veeleer de ervaring dat zwakkere leerlingen meer gebaat zijn bij een strakke grammaticale structuur, dan sterkere leerlingen. Die kunnen misschien met wat minder structuur. Idem dito met vele ‘moderne’ werkvormen. Leuk maar nefast voor de zwakkeren.

 

Besluit van de nota: “Het is niet de bedoeling terug te grijpen naar het traditionele grammaticaonderwijs.” Ik schrik nogmaals. Men constateert immers enerzijds dat een tiental jaren geleden het traditionele grammaticaonderwijs verlaten werd en anderzijds dat het sedert een tiental jaren bergaf gaat met het talenonderwijs. Men weigert echter expliciet daar de mijns inziens zeer voor de hand liggende conclusie uit te trekken.

 

Trouwens, is het wel de taak van de overheid zich met dit alles in te laten? Wat met de autonomie van de koepels, van de scholen, van de leraars? Is het ook niet eenzijdig in de nota voortdurend te verwijzen naar een ‘Europees referentiekader voor vreemde talen’? Dit referentiekader ziet talen enkel als communicatiemiddelen, en besteedt nauwelijks aandacht aan het culturele en ethische aspect van taal. Wat met fijngevoeligheid voor literatuur en andere kunstuitingen? Is die fijngevoeligheid door de nieuwe aanpak nu zo veel meer ontwikkeld bij onze leerlingen dan bij de leerlingen van een generatie geleden?

 

Zoals elke discussie loopt ook deze discussie het risico te verzanden in een onverzoenlijke patstelling tussen voor- en tegenstanders, en dat wil ik vermijden. Ik weet dat in Nederland meer aandacht gaat naar vaardigheden dan naar feitenkennis, én dat leerlingen daar gemiddeld mondiger zijn dan de onze. Ik besef terdege dat er lacunes zijn aan ons systeem. Maar ik huiver ervoor om datgene wat generaties lang de sterkte is geweest van Vlaanderen en van de Vlamingen, hun taalvaardigheid, zomaar te grabbel te gooien. Vooral weiger ik mee te gaan in een soort verlicht denken dat hoogmoedig alles wat vroeger tot stand werd gebracht, verwerpt, en dat pretendeert op basis van wetenschappelijke methodes de ‘vaardige modelleerling’ te creëren.

 

Tenslotte vrees ik dat de neiging om alles – of het nu om menswetenschappen of om exacte wetenschappen gaat – functioneel en toepasbaar te maken, het kritische denken van de leerlingen aantast. Als alles moet passen in een kader en als er niet meer abstract, dus met een zekere afstand tegenover de werkelijkheid, mag gedacht worden, dan zal de nieuwe modelleerling misschien heel goed functioneren, maar steeds binnen een systeem, terwijl hij het systeem niet meer in vraag zal stellen. En dan houd ik mijn hart vast voor de toekomst.

 

Ik wil niet pessimistisch eindigen – de weg die we moeten gaan ligt wellicht ergens in het midden tussen de twee aspecten die verkeerdelijk als tegenpolen worden voorgesteld, kennis en vaardigheden. We moeten beseffen dat een nieuwe aanpak positieve zaken met zich meebrengt maar eveneens dat elders dan positieve elementen van de oude aanpak dreigen verloren te gaan. Wat mij hoopvol stemt is dat ik nog nooit een leraar heb ontmoet die het niet goed voorheeft met zijn leerlingen. En dat na jaren van toenemende frustratie bij veel leraars de discussie eindelijk eens openlijk gevoerd wordt.

 

Kris De Boel

leraar klassieke talen

Veldstraat 10, 9820 Merelbeke

5 december 2006

deboel.verbeke@pandora.be