Nieuwsbrief maart 2020

In memoriam George Steiner (overleden 3 feb. 2020)

De roeping van leraar. Er is geen hoogstaander beroep. In een ander mens krachten, dromen die je
eigen dromen te boven gaan opwekken; anderen liefde inblazen voor wat je liefhebt; van jouw
innerlijkheden hun toekomst maken: dat is een drieledig avontuur als geen ander.

(George Steiner, Het oog van de meester, De Bezige Bij 2004, p. 189)

L’aula vuota – Het lege klaslokaal

Onlangs werd in Italië een boek gepubliceerd dat de dramatische toestand van het Italiaanse
onderwijs schetst: de gerenommeerde historicus Ernesto Galli della Loggia schreef ‘L’aula vuota –
come l’Italia ha distrutto la sua scuola’ (Marsilio ed., 2019) (Het lege klaslokaal – hoe Italië zijn school
heeft vernietigd’). Omdat het evenzeer over een analyse van het Vlaamse onderwijs zou kunnen gaan,
hebben we het interessant geacht enkele citaten uit dit boek hieronder weer te geven. De strijd die
‘het Oog van de Meester’ voert, blijkt een strijd te zijn die in meerdere Europese landen wordt
gestreden…
Over feitenkennis en over een samenleving waarin de mensen nog weinig historisch besef hebben
schrijft de auteur: “Men moet zich, tenslotte, niet voortdurend afvragen of het wel nuttig is al die
feiten te kennen, maar eerder of het dan zo nuttig is ze niet te kennen.” (p. 26)
Perfect herkenbaar is zijn opmerking over de verdwijnende leescultuur in Italië: “… een land dat
tegenwoordig grotendeels een land zonder cultuur is geworden, een land dat niet meer leest, dat zich
informeert op de sociale media, dat niet meer gewoon is te redeneren en dat alsmaar meer
opgezweept wordt door primaire emoties of, slechter nog, door oorlogszuchtige impulsen. Een land
dat de kennis van zijn eigen geschiedenis aan het verliezen is en dat het eigen verleden achter zich
werpt, zonder dat trouwens de verspreiding van een betekenisvolle, toekomstgerichte technisch-
wetenschappelijke cultuur zou waar te nemen zijn.” (p. 32)
Over de tegenstelling tussen onderwijs en andere sectoren: in andere sectoren merkt men vlug als
iets niet goed gaat, in het onderwijs niet. Dit euvel wordt meer en meer bevestigd door onderzoeken
(PISA, OESO,…) die de achteruitgang van de kwaliteit van het onderwijs vaststellen. Waarom begint
dit pas nu door te dringen? Omdat een systeem waarin alle leerlingen slagen (doelstelling van het
moderne onderwijs) de indruk wekt een goed systeem te zijn: “In het geval van de school dringt het
moeilijk door bij de publieke opinie dat de zaken slecht gaan: het volstaat dat aan het einde van het
jaar iedereen er door is. De negatieve effecten zijn pas op de lange termijn te zien, vooral wanneer
het zicht belemmerd wordt door een dik, diffuus ideologisch gordijn. (p. 37)
Over de macht en het jargon van pedagogen: “De pedagogie is de overheersende cultuur geworden in
de school, de enige aan de hand waarvan de school spreekt; en zoals een echte stadswal heeft een
soort ondoordringbare orwelliaanse Newspeak het onderwijs ingesloten.” (p. 41)
Over de afkeer van ‘autoriteit’ in het moderne onderwijs: “Omdat geweld het meest geschikte middel
is om menselijke wezens tot gehoorzaamheid te dwingen, en omdat een typisch gevolg van autoriteit
nu net gehoorzaamheid is, besluit men daaruit verkeerdelijk dat autoriteit ook altijd geweld
impliceert, dus dat autoriteit altijd iets van geweld in zich draagt. Exact het tegenovergestelde is
waar.” (p. 50)

Een volgend hoofdstuk van het boek gaat over de invloed van Jean-Jacques Rousseau die de verre
filosofische grondlegger is van een onderwijs dat gebaseerd is op ‘zelf-ontdekkend leren’,
‘experimenteren’, ‘doen in de plaats van kennen’,…, kortom, de mantra’s van het moderne
onderwijs.
In het Vlaamse onderwijs herkennen we ook de dwang om alles in teamverband te doen (zelfs
oudercontacten e.d.) en het gebrek aan vertrouwen in het oordeel van de individuele leerkracht.
Over de gelijkaardige Italiaanse situatie schrijft de auteur: “Vandaag, daarentegen, wordt meer dan
de autonomie van de individuele leerkracht de functionele autonomie van een collectief bevorderd.
Leerkrachten zien hun individueel profiel vervagen. Ze zijn verantwoording verschuldigd aan hun
gelijken met wie ze “in overeenstemming” moeten zijn, aan wier mening ze op duizend verschillende
manieren gebonden zijn, terwijl ze hun eigen activiteit moeten afstemmen op een gezamenlijk
besliste richting.” (p. 143)
Wat verder beschrijft Galli della Loggia de afkeer, in de huidige eindtermen, van alles wat te maken
heeft met inhoud en met ‘van buiten leren’. Hij laakt het ondoordringbare jargon van ‘ambitieuze’
eindtermen, een jargon dat niets anders doet dan een gebrek aan inhoud maskeren. Als voorbeeld
geeft hij doelstellingen uit een leerplan natuurwetenschappen, die verwachten dat de hedendaagse
twaalfjarige (!) Italiaanse jongere tot het volgende in staat is: (p. 170)
a. Situaties, feiten en fenomenen onderzoeken;
b. Variërende en niet-variërende eigenschappen, analogieën en verschillen herkennen;
c. Gegevens registreren, ordenen en met elkaar in verband brengen;
d. Probleemstellingen geven en oplossingen voorstellen;
e. Verifiëren of er overeenkomst is tussen geformuleerde hypothese en resultaten van het
experiment;
f. In een logisch schema verschillende vragen plaatsen;
g. De courante wetenschappelijke terminologie begrijpen en zich duidelijk, rigoureus en
synthetisch kunnen uitdrukken;
h. Specifieke taalvormen van de wiskunde en van de positieve wetenschappen gebruiken en
uitwerken (!)
i. Op een kritische wijze stellingen en informatie beoordelen om zo te komen tot gefundeerde
overtuigingen en bewuste beslissingen.
Het is duidelijk dat men met dergelijke doelstellingen geen modale twaalfjarigen voor ogen heeft,
maar eerder toekomstige Isaac Newtons of Marie Curies. Deze enorme spagaat tussen utopische
eindtermen en de barre realiteit is ook in Vlaanderen wraakroepend. Amper 30% van de leerlingen
behaalt de eindtermen Frans aan het einde van het Lager Onderwijs – en toch krijgen ze allen hun
diploma.
Het boek is een soort “J’accuse”, en op het einde doet de schrijver enkele positieve voorstellen. Zijn
voorstellen die hij onlangs ook in de krant ‘Il Corriere della Sera’ deed verschijnen (ban alle gsm’s en
tablets uit de scholen 1 ; laat de leraar vooraan weer op een podium staan,…) ontlokten echter een
lawine van kritiek.
Het belangrijkste voorstel dat Galli della Loggia in dit boek doet gaat nochtans naar de kern van de
zaak: hij plaatst ‘de utopie van de bevrijding’ zoals gepropageerd in het moderne onderwijs (elk
individu moet zichzelf autonoom bevrijden, hooguit met wat hulp van een leraar-coach) tegenover
‘de utopie van de ontvoogding’ zoals gepropageerd in het klassieke onderwijs (elk individu wordt
1 Zie onze nieuwsbrief van april 2017 over digitale media

bevrijd door anderen die al vrij zijn, die kennis hebben, door leraren-meesters…): “Ik ben ervan
overtuigd dat men boven die utopie van de bevrijding een andere utopie moet verkiezen: de utopie
van de ontvoogding, zijnde het idee dat onderwijs iets moet zijn dat van buitenaf gebeurt, namelijk
vanuit de bewuste intentie van een historisch gegeven collectiviteit (de Italianen, de Vlamingen, de
Europeanen – n.v.d.r.) tegenover haar jongste leden; het idee dat onderwijs zich vooropstelt in eerste
instantie van hen cultureel gevormde mensen te maken, autonoom en verantwoordelijk over zichzelf
– noodzakelijke voorwaarde om vrij en sociaal zo gelijk mogelijk te worden. (p. 235)

Kris De Boel (Oog van de Meester)