Nieuwsbrief februari 2018

Over de tijdsbesteding van de leraar

Meten is weten, luidt het adagium van deze tijd. Bijgevolg worden wij, leraren, om de oren geslagen met een waaier aan onderzoeken en ondervragingen die allerlei aan het onderwijs gerelateerde zaken zoals leerwinst en welbevinden van leerlingen proberen te meten. En het gaat niet altijd over pedagogische aangelegenheden – ook de straling van wifi-apparatuur waaraan wij in de klas blootstaan wordt gemeten. Dit alles natuurlijk voor het goed van leerling, leraar en school.
Eén van de jongste loten aan de sterk groeiende boom van enquêtes zijn de onderzoeken waarmee men de tijdsbesteding van leraars wil nagaan. Vorige maand hield De Standaard zo’n enquête en nu loopt er het door de overheid bestelde Grote Tijdsonderzoek waaraan alle leraars van Vlaanderen, zo ze dat willen, kunnen deelnemen. Er wordt dan voor jou (niet door jou) een week uitgekozen waarin je je tijdsbesteding minutieus moet bijhouden. Ook ik heb me als vrijwilliger aangemeld, niet zozeer omdat we een groot voorstander van dergelijke onderzoeken zijn (we willen hieronder eerder het nut ervan in vraag stellen), maar eerder uit nieuwsgierigheid: wat zal men mij allemaal vragen? Omdat ik van het onderzoeksbureau het bericht heb gekregen dat de voor mij uitgelote week die van 17 maart is, kan ik inhoudelijk nog niet veel kwijt over het Grote Tijdsonderzoek, maar misschien vallen er toch al enkele bedenkingen bij dergelijk initiatief te formuleren.
Als leraren – en ik spits mij toe op het middelbaar onderwijs – kennen wij weken die min of meer normaal verlopen maar ook hectische weken waarbij we van het ene naar het andere hollen en er zoveel te doen is op een school dat in zo’n week het twintigtal lesuren eerder bijzaak dan hoofdzaak lijkt. Als je het ons vraagt: geen goede zaak voor de kwaliteit van die lesuren. We hopen dat het Grote Tijdsonderzoek die ongelijkheid tussen de weken in rekening brengt.
Ten tweede – maar hierover gaan we niet uitweiden want dit zou open deuren intrappen zijn – is les geven in klas A niet gelijk aan les geven in klas B, in school A niet gelijk aan in school B, op tijdstip A niet gelijk aan op tijdstip B,…
Ten derde: het is maar wat je invult op dergelijke enquêtes! Zal ik dat boek dat ik lees of die lezing waar ik heenga ook invullen als lesvoorbereiding? Paradox van de meetbaarheid: scholen verplichten leraren de nascholingen die ze volgen in te vullen op een lijst die voor alle collega’s toegankelijk is, en zo zie je dat de ene er alles op invult (“Lectuur van artikel x uit krant y van dag z”) en de andere nauwelijks iets. Wie heeft zich nu het meest nageschoold?
Ten vierde – een fundamentelere kritiek-: een lesuur kost veel zweet, bloed (van onder de nagels) en soms tranen (van onmacht). Dit geldt voor nog veel andere beroepen en bezigheden, maar telkens toch op een heel specifieke manier. Hoe kan men nu de drie kwartier die een les ongeveer duurt objectiveren en vergelijken met drie kwartier voetballen, drie kwartier een geneeskundige handeling uitvoeren, drie kwartier een dossier doornemen, drie kwartier achter een vuilkar hollen, drie kwartier een akker ploegen,…?
Drie kwartier is niet gelijk aan drie kwartier, en onze gerichtheid op de mechanische tijd – iets waar we nog niet langer dan vier eeuwen door geobsedeerd zijn – verblindt ons, erger nog, creëert een sfeer van jaloezie tussen de beroepen. Annelies De Waele vraagt zich dan ook terecht af, in haar column in DS van 9 januari ll. : “Ik vraag me af welk onderzoek, geleid door welke specialist ook, in staat is om al die nuances te vatten en zo de kritiek op het onderwijs eens en voor altijd te counteren.”
Naar verluidt is ook de vakbond vragende partij voor een dergelijke enquête, precies om de kritiek op het onderwijs te counteren. Maar de vakbond moet oppassen niet in hetzelfde discours van meetbaarheid terecht te komen! Er zijn profetische stemmen binnen de vakbond die dat gevaar scherp inzien. In de discussie over de vraag of onderwijs al dan niet als zwaar werk moet beschouwd worden besliste de minister van pensioenen onlangs dat emotionele belasting geen criterium in die discussie mag zijn. Marianne Coopman, algemeen secretaris van de christelijke onderwijsvakbond, reageerde gevat in DS van 29 januari ll.: “Opnieuw wordt er beslist om in de beoordeling van het onderwijzersberoep uitsluitend rekening te houden met wat je exact kan meten. Het is een visie die totaal voorbij gaat aan de essentie van onderwijs, namelijk dat het altijd en elke dag opnieuw een ontmoeting is tussen mensen. Tussen een leraar en zijn leerlingen. En in die relatie zal de leraar altijd het beste van zichzelf willen geven, en dat in niet evidente omstandigheden. De impact die die ontmoeting heeft, kan je niet in getalletjes vatten. Je kan er over getuigen, je kan er lichamelijke klachten aan overhouden, je kan er uiteindelijk aan onderdoor gaan, maar het exact in cijfers uitdrukken, is niet mogelijk.”

Met het Oog van de Meester vrezen we dus dat het Grote Tijdsonderzoek een maat voor niets wordt. Of men herstelt/behoudt het vertrouwen in onderwijs, of men holt dit vertrouwen verder uit, met als pijnlijke gevolg dat we over enkele jaren niet meer zullen spreken over onze lesopdracht maar over hoeveel uur we op school moeten zijn. Geen lesopdracht in vrijheid en verantwoordelijkheid maar een slaafse en conformistische schoolopdracht, afgedwongen door prikklok, management en publieke opinie.
Kris De Boel, namens het Oog van de Meester