“Livesessies zijn geen lesmethode” – Nieuwsbrief mei 2020

In coronatijden wordt meer dan ooit duidelijk hoe belangrijk en cruciaal de figuur van de leraar is. En
ook al zijn jongeren vandaag meer dan vertrouwd met communicatie via beeldschermen, in
videolessen ontbreekt de belangrijkste dimensie van vormend onderwijs. Die bezorgdheid verwoordde
lerares Josephine Dapaah in De Standaard van maandag 27 april als volgt: “Ik wil weer voor de klas
staan en mijn ding kunnen doen. Livesessies zijn geen lesmethode.”


Hoe gebrekkig en zielloos het huidige afstandsonderwijs ook moge verlopen, het is ongetwijfeld beter
dan helemaal niets. Via opgenomen lessen of Zoomsessies kunnen leraars hun leerlingen blijvend
stimuleren en een noodzakelijke vinger aan de pols houden. Volgens in technologie bedreven en
ervaren leraren verloopt het lesgebeuren zelfs een stuk efficiënter dan normaal: blokken van 50
minuten worden vervangen door kant-en-klare lesbrokken van hoogstens een half uur waarin de
meest noodzakelijke leerstof wordt verwerkt. Met uitzondering van enkele technische mankementen is
het in de digitale klas ook opvallend rustig. Leerlingen vervallen er niet in onderling geklets en
verplichten hun leraars amper tot tucht. En wie weet wordt er ook harder gewerkt, want de
passievelingen, onverschilligen, mentaal afwezigen en ongeïnteresseerden kunnen zich niet langer
wegstoppen achter hun actieve en aandachtige klasgenoten, maar worden er nu toe verplicht het heft
in eigen handen te nemen.


Dit neemt niet weg dat het afstandsonderwijs toch maar blijft wat het is en we het zeker niet mogen
overschatten. Onderwijs gebeurt in eerste instantie door het directe contact tussen opgroeiende
jongeren en inspirerende volwassenen, die vanuit studie en levenservaring en met passie hun kennis
en levenswijsheid overbrengen. Het heeft in essentie niets te maken met het afvinken van
leerplandoelen of steriel presenteren van leerstof. Onderwijs gaat over persoonlijkheid, charisma,
intuïtie, inspiratie, spontaneïteit en humor. Inspirerende leraren overstijgen de leerstof. Ze laten lessen
organisch evolueren, weiden uit en halen – wars van het voorgeschreven curriculum – elke dag het
beste uit hun leerlingen. Het mag er in de digitale les dan wel efficiënt aan toe gaan, van een echte
klasgeest is er geen sprake.

Goede leraars bestaan bij gratie van de aanwezigheid van hun leerlingen, maar het omgekeerde is
evenzeer waar. De centra voor leerlingbegeleiding (CLB’s) moesten in maart tot 40% meer gezinnen
bijstaan om ‘zorgwekkende thuissituaties’ het hoofd te bieden. Wat het aantal tussenkomsten in
‘verontrustende situaties’ betreft, rapporteerden ze een toename van 50% (De Standaard, 24 april
2020). Het sociale en emotionele isolement waarin leerlingen zich op dit moment bevinden, baart
zorgen. Een klas is immers ook een plek waar samen kan worden gelachen, waar je ondeugend kan
zijn, kritiek en emoties kan uiten.

De besten van de klas zullen het meest gebaat zijn bij afstandsonderwijs; de staart van de klas het
minst. De besten zijn het meest gemotiveerd en krijgen thuis de meeste ondersteuning; bij de
zwakkeren geldt het tegenovergestelde. Zij hebben de fysieke school en de fysieke leraar nodig, die
hen opvolgt en moed inspreekt. De kloof tussen de verschillende onderwijsvormen wordt verder
uitgediept, want waar abstracte stof zich nog vrij makkelijk leent tot een digitale aanpak, geldt dat veel
minder voor praktijklessen en ervaringsgerichte activiteiten in het technisch, beroeps- en
kunstonderwijs.


Hoe vernuftig alle technologie voor afstandsonderwijs ook moge zijn, de huidige situatie leert ons dat
goed onderwijs méér is dan de leerstof op een didactisch verantwoorde manier aanbrengen. Het gaat
over menselijke interactie en empathie, en die kunnen enkel ontstaan dankzij de warme, bezielende
aanwezigheid van de leraar.

Joren Somers