Nieuwsbrief 6 – oktober 2016

Burgerschap, een zaak van iedereen?

In deze bijzonder verwarrende tijd van oplopende spanningen en waardediscussies in onze multiculturele samenleving krijgt het onderwijs een belangrijke taak toegeschoven. Minister Crevits wil dan ook een prioriteit maken van ‘burgerschap, gebonden aan meerdere vakken’. Bovendien vindt zij dat een school niet alleen kennis moet overdragen, maar van leerlingen ook persoonlijkheden maken’ (DS 28 augustus). Daar kunnen we het mee eens zijn.

Maar wat houdt dat burgerschap inhoudelijk in? En wat betekent het ‘persoonlijkheden’ te vormen? Behoorden deze doelstellingen niet al lang tot de centrale taak in het onderwijs? Laten we de vakken even aan het woord.

Vakken

Zijn geschiedenis en cultuurwetenschappen niet bij uitstek vakken die inzetten op burgerzin, op het inzicht van de verlichtingswaarden, op het begrijpen van de verschillen in culturen, noodzakelijk om de ontwikkelingen in onze samenleving te kunnen begrijpen? Omgaan met de culturele diversiteit in onze samenleving vraagt meer dan ooit kennis, verdiepend inzicht en daaruit voortvloeiend wederzijds respect. Het is het enige wapen dat we echt hebben om de broederlijkheid en menselijkheid in onze veelkleurige samenleving te bewaren. Het kritisch denken, een belangrijke  verworvenheid van het hedendaagse bewustzijn, moet steeds in een open geest aangescherpt worden, is niet zo maar een vaardigheid , beweegt zich niet in het luchtledige maar in gedegen onderwijs.

Is het niet de taak van het literatuuronderwijs het empathisch en verbeeldend vermogen te bevorderen, zoals Martha Nussbaum in haar boek ‘Niet voor de winst’ bepleit? Kunst, poëzie, literatuur, die in het taalonderwijs op zijn zachtst gezegd niet aangemoedigd worden, moeten meer kansen krijgen.

Is talenonderwijs niet te veel ‘op het zogenaamd echte leven’ afgestemd en herleid tot zijn functioneel niveau, en moet de taal niet begrepen worden als een cultureel en bij uitstek  humaan fenomeen? Op alle niveaus van het onderwijs dient men bewuster in te zetten op een respectvolle en geweldloze communicatie, om de vervuiling en de verruwing van de internettaal tegen te gaan. Jonge mensen zijn heel gevoelig voor vriendelijkheid, respect, inleving, aandacht, maar deze waarden vragen wederkerigheid.  ‘De ander behandelen zoals men zelf graag behandeld zou worden’ vraagt aandacht en oefening, beleefdheid en hoffelijkheid. En dit gaat rechtstreeks in tegen de huidige houding van assertiviteit en de vrijheid van zomaar alles te mogen zeggen.

Komen de waarden niet uitgebreid en genuanceerd aan bod in de godsdienstlessen en zedenleer?

Dragen de biologielessen niet bij aan het ecologisch bewustzijn en roepen ze niet op tot grotere  verantwoordelijkheid?

Is economie niet meer dan financiële geletterdheid?

Zit kritische zin niet in alle vakken vervat en en is inhoud niet de noodzakelijke voorwaarde om kritisch te kunnen denken.

Kortom, voelt niet elk vak zich geroepen via inhoudelijke kwaliteit het denken te bevorderen en zo bij te dragen aan een betere samenleving? De vakinhouden  bieden het materiaal  en zijn een conditio sine qua non tot burgerschap. Elk vak overschrijdt zijn eigen domein om bij te dragen tot de vorming van de persoonlijkheid van de leerling. Inzicht, empathie, kritisch bewustzijn, verantwoordelijkheidszin, zelfstandigheid (een oude doelstelling) behoren tot de vorming van elke leerling.

Burgerschap, een attitude

Maar – zal men zeggen- kennis staat niet garant om burgerschap te bereiken. Inderdaad, maar waartoe leidt gebrek aan kennis?  Is men dan niet weerloos overgeleverd aan de waan van de dag, aan de hypes, aan allerlei opiniemakers …?

Burgerschap is inderdaad ook een praktijk, een attitude.

Zijn er dan geen scholen met allerlei initiatieven zoals inleefreizen, bezoeken aan lieus de mémoire, parlementaire debatten, ook internationaal, participatieraden, uitwisselingsprogramma’s … ? Toch wel.

Hiermee is geen definitie gegeven van burgerschap. Maar de verschillende componenten vormen wel de noodzakelijke aanzet tot burgerschap.

Gevaar van formalisering van de eindterm

Hopelijk wordt er geen werkgroep opgericht die dan eindeloos discussieert en een lijst met aan te vinken doelstellingen opmaakt, zoals al te vaak in het verleden gebeurd is.  Dit gaat dan gepaard met het maken van handboeken, met oefeningen en werkvormen. Het gevaar van formalisering dreigt, wat geacht wordt de controle gemakkelijk te maken. Vallen attitudes te controleren? Om persoonlijkheden te vormen moeten de leraren zelf kritische burgers zijn. Ik zou zeggen aan de beleidsmakers: laat het initiatief aan de leraren. Kleed de vakken niet uit. Laat de leerkrachten hun creativiteit en persoonlijkheid aanwenden. Zo wordt verantwoordelijkheid belangrijker dan verantwoording, zo is autonomie van de leraar geen dode letter, zo wordt de beroepsernst aangemoedigd, is de leraar geen uitvoerder maar opvoeder, zo krijgen beroepseer en –vreugde  kansen. Misschien moet er wel aan die vorming van de leerkracht nog veel gesleuteld worden.

Stuur deze nieuwsbrief door naar collega’s en geïnteresseerden: www.oogvandemeester.be

Agnes Claeys, Rosine Van Oost

Oktober 2016