Fb-Button

Nieuwsbrief september 2019

Open brief aan de toekomstige minister van onderwijs

Geachte toekomstige onderwijsminister
Er dreigt een schrijnend tekort aan leraren. U wil daar als kersvers minister van Onderwijs
iets aan doen.
Wij zijn van mening dat veel jonge mensen afhaken of er niet meer aan beginnen, niet
omdat het werk hen afschrikt of omdat de job hen niet interesseert, niet uit gebrek aan
motivatie en enthousiasme, maar omdat ze verstrikt geraken door de dwang tot
samenwerking en eenvormigheid, door de niet aflatende stroom aan pedagogische
hervormingen, door de juridisering en de daarmee gepaard gaande bureaucratisering en
administratieve planlast. Dat is u bekend.
Velen worden bovendien in de klaspraktijk geconfronteerd met tanende erkenning van en
respect voor het gezag van de leraar.
De leraren die het overleven en er voluit blijven voor gaan, zijn zij die hun autonomie weten
te behouden en die de verplichtingen en regels relativeren en zich concentreren op wat
essentieel is in onderwijs: persoonlijk contact met leerlingen en vakkennis op een gedreven
manier overbrengen.
Waarom vandaag nog kiezen voor een loopbaan in het onderwijs? Onderwijs is volgens ons
een zeer zinvolle job, die ontzettend veel persoonlijke voldoening geeft.
Mogen wij u enkele suggesties aan de hand doen?

  1. Je vormt de volgende generatie. Je bouwt samen met hen aan de toekomst.
  2. Jonge mensen zien groeien en ontwikkelen en daar een actieve rol in spelen geeft
    voldoening.
  3. Je blijft jong, flexibel en scherp van geest door dagelijkse omgang met jongeren.
  4. Je krijgt waardering, erkenning en respect als autoriteit in je vak.
  5. Je kan je persoonlijke interesses ontwikkelen, beleven en doorgeven. Lesgeven is
    levenslang leren.
  6. Je geeft kennis en cultuur door aan de volgende generatie.
  7. Je vervult als mentor een voorbeeldfunctie, de beste vorm van opvoeding.
  8. Je kan je werk zelf organiseren en samenwerken met collega’s die dezelfde interesses
    delen.
  9. Je beschikt over een grote autonomie, de beste remedie tegen burn-out.
  10. Je krijgt een fatsoenlijk loon voor een vaste job met werkzekerheid. Je hoeft niet te
    concurreren met anderen om hogerop te geraken.
    Wij hopen dat u dit voorop blijft stellen in uw beleid.
    Vriendelijke groeten

Het Oog van de Meester www.oogvandemeester.be onafhankelijke denkgroep van leraren,
die zich bekommeren om de kwaliteit en de toekomst van ons onderwijs.

Nieuwsbrief juni 2019

Talenonderwijs in crisis? – Verslag studieavond

Op donderdag 25 april 2019 organiseerde de vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent een studieavond voor leraars moderne talen in het secundair onderwijs over de crisis in het talenonderwijs. Aanleiding was de alarmerende berichtgeving omtrent het talenonderwijs in Vlaanderen: de achteruitgang van de talenkennis en het niveau begrijpend lezen, de saaiheid van het schoolvak Nederlands en de terugloop van het aantal letterenstudenten.

Joren Somers en Paul De Loore, beiden kernleden van het Oog van de Meester, hielden elk vanuit een andere invalshoek een warm pleidooi voor een vakinhoudelijke herwaardering van het schoolvak Nederlands.

Joren Somers pleitte voor een herwaardering van de taalkunde als zelfstandige vakcomponent tegenover de geïntegreerde en tot taalreflectie gereduceerde aanpak die vandaag de leerplannen beheerst. Taalkunde biedt immers een unieke inkijk in de menselijke natuur en uit onderzoek blijkt dat het motiverend werkt. Voorts kan taalkundige kennis ons wapenen tegen demagogie en vormen van taalmisbruik.

Paul De Loore brak een lans voor de literatuur als kern van het talenonderwijs. Kennismaking met het beste wat er in onze taal (en in andere) is geschreven is essentieel om jonge mensen in hun volle persoonlijkheid te vormen en te cultiveren.  Door intensieve omgang met goede literatuur leren ze de mens, de samenleving en de wereld kennen, breiden ze hun ervaring en hun leefwereld uit, leren ze zich inleven in de ander, worden ze getraind in kritisch en genuanceerd denken en leren ze beter lezen, schrijven, luisteren en spreken. Gepassioneerde leraren die interessante teksten tot leven wekken, kunnen het talenonderwijs, het vak Nederlands en de talenrichtingen op academisch niveau weer aantrekkelijk maken door de literatuur weer centraal te stellen.

Onder de titel Voorbij het geklaag. Taalonderwijs als verzetsdaad trachtte Jordi Casteleyn, professor didactiek Nederlands aan de Universiteit Antwerpen, de doemdenkerij over het Vlaamse talenonderwijs te nuanceren. Hij ziet drie domeinen waarop het beleid zich dient te focussen om de heersende crisis het hoofd te bieden: het onderwijssysteem, de lerarenopleiding en meertalige leerlingen. Voor het schrijfonderwijs, waarover het onderzoek al het verst gevorderd is, stelde hij de volgende basisregels: geef directe instructie (~ vakdidactiek), integreer schrijven en lezen (~ vakkennis), geef feedback (~ pedagogie). Wat de meertalige leerlingen betreft, gaf hij drie aanbevelingen: leg de lat hoog voor woordenschat via expliciete, weldoordachte en rijke instructie, zet in een eerste fase sterk in op de mondelinge taalvaardigheid en zorg voor een evenwichtige leesinstructie, waarin het leren decoderen hand in hand gaat met het leren begrijpen en het aanwakkeren van leesplezier.

Professor Robert Dekeyser van de Universiteit van Maryland, wereldautoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving, vertelde in zijn Skypelezing dat internationaal onderzoek onomstotelijk aantoont dat expliciet vreemdetalenonderwijs beter werkt dan louter impliciete instructie, zelfs voor studenten in het buitenland en kinderen. Hij beklemtoonde wel dat de aanpak ook afhangt van de context waarin een vreemde taal wordt aangeleerd en de noden van de leerlingen (leeftijd, beschikbare tijd, beoogde niveau, cognitief vermogen …).

Kevin De Coninck, senior adviseur van de Nederlandse Taalunie, ten slotte, hield een pleidooi ter verdediging van de status van het Nederlands in de wereld. Hij beklemtoonde dat de crisis in het talenonderwijs in een ruimer kader dient te worden gezien: als we het probleem structureel willen aanpakken, moeten we ook naar de diepere oorzaken durven te kijken. Vlaanderen kent immers te weinig status toe aan het Nederlands en, met uitzondering van het Engels, aan andere vreemde talen.

Nieuwsflits april 2019

De Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent,

de MULTIPLES-LL-onderzoeksgroep, uitgeverij Garant en Tijdschrift Over Taal

nodigen u graag uit op de studieavond

Het talenonderwijs in crisis?

Praktisch

De studieavond is gratis. Inschrijven is absoluut noodzakelijk.  Het aantal inschrijvingen is beperkt! De deelnemers krijgen een aanwezigheidsattest.

Locatie: auditorium A108 – A-gebouw (eerste verdieping)- Campus Mercator – Abdisstraat 1 – 9000 Gent

(zie: http://www.vtc.ugent.be/bereikbaarheid ).

Organisatie en verdere info: filip.devos@ugent.be.

Deze studieavond wordt georganiseerd door de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent, de onderzoeksgroep MULTIPLES-LL– Research Centre for Multilingual Practices and Language Learning in Society, in samenwerking met uitgeverij Garant en het Tijdschrift Over Taal.

Programma


– 19.00-19.05u: Verwelkoming (Filip Devos)

– 19.05-19.15u: Inleiding (Veronique Hoste)

– 19.15-19.45u: Het schoolvak Nederlands: pleidooi voor een vakinhoudelijke herwaardering (Joren Somers en Paul De Loore)

Luik Taalkunde (Joren Somers)

De leerplannen Nederlands van het VVKSO maken zich sterk uit te gaan van een zogenaamde ‘brede taalbeschouwing’. Taalkundeonderwijs hoort immers niet ‘op zich’ te staan, maar streeft idealiter de integratie na met de taalvaardigheidscomponent. Nochtans lijkt dat gebrek aan inhoudelijke ambitie mede aan de basis te liggen van de kwalijke reputatie van het schoolvak Nederlands, dat niet zelden als saai, zinloos en afstompend wordt gepercipieerd. Door leerlingen expliciet te confronteren met onderwerpen als taalverandering, psycholinguïstiek of dialectologie creëren leraars een gevoeligheid voor taal als cultuuruiting en bieden ze een inkijk in het vernuft van de menselijke geest.

Luik Letterkunde (Paul De Loore)

De eenzijdige focus op communicatieve vaardigheden heeft de voorbije decennia in het talenonderwijs de literatuur gemarginaliseerd en doen verschrompelen tot een van de vele ‘tekstsoorten’. Ze is er zowaar zelf tot vaardigheid verworden en wordt conform het gebruikelijke jargon omschreven als ‘literaire competentie’. Willen we het talenonderwijs weer interessant en aantrekkelijk maken, weer ‘inhoud’ en ‘ziel’ geven, dan kan dat enkel door de literatuur weer centraal te stellen. Het is de plicht van de taalleraar om het beste, het interessantste en zinvolste dat de taal heeft voortgebracht voor jonge mensen te ontsluiten, tot leven te wekken en door te geven. Een kerntaak van het onderwijs als cultuur-en kennisoverdracht. Dat kan enkel vanuit persoonlijk engagement en passie.

– 19.45-20.15u: Voorbij het geklaag. Taalonderwijs als verzetsdaad (Jordi Casteleyn)

Taal is nog nooit zo populair geweest. De overheid moet bijvoorbeeld campagnes lanceren om studenten naar STEM-richtingen te lokken, niet om jongeren te overtuigen om communicatie te studeren. Maar de eerste keuze van die jongeren is niet meer de opleiding Nederlands aan de universiteit. Daarnaast ontdekken we echter dat het gemiddelde taalvaardigheidsniveau in Vlaanderen geleidelijk aan afneemt, dat goede leerkrachten Nederlands dus enorm welkom zijn, maar dat deze lesgevers steeds minder vaak te vinden zijn. De oplossing voor al deze problemen is complex, moeizaam en duur. Kortom, deze oplossing is heel onaantrekkelijk, maar wel noodzakelijk om de volgende generatie alle kansen te bieden.

20.15-20.45u: De centrale vraag in het vreemdetalenonderwijs en een genuanceerd antwoord (Robert De Keyser)

De vraag over hoeveel grammatica onderwezen moet worden in de vreemdetalenklas en hoe, is eeuwen oud, maar blijft actueel. Niet alleen door veranderingen in terminologie, maar ook en vooral door veranderingen in wie talen leert voor welke doeleinden in welke context. Het is dan ook niet te verwonderen dat het wetenschappelijk onderzoek op dit punt omvangrijk, gevarieerd, en niet altijd gemakkelijk samen te vatten is. Ook in België is onlangs het debat op dit punt weer opgeflakkerd. Ik zal in dit korte betoog (via skype) een overzicht geven van wat we stilaan geleerd hebben en wat we NIET weten en waarom. Dit is hoogst belangrijk om te verstaan waarom alle radicale uitspraken op dit punt onverantwoord en onverantwoordelijk zijn.

– 20.45-21.15u: Wie is er bang van het Nederlands en meerdere vreemde talen? (Kevin R. De Coninck)

Ons talenonderwijs lijkt in crisis. Studentenaantallen nemen af en opleidingen worden stopgezet. Dat moeten we erg vinden omdat we een goede kennis van het Nederlands en meerdere vreemde talen nodig hebben voor onszelf en onze Vlaamse samenleving, cultureel, sociaal én economisch. Het is dus belangrijk dat we er iets aan doen. We kunnen het probleem aan de oppervlakte aanpakken door ons talenonderwijs weer aantrekkelijker te maken, maar als we het probleem structureel willen aanpakken, moeten we ook naar de diepere oorzaken durven te kijken. En dan moeten we vaststellen dat we andere talen te weinig status toekennen binnen onze eigen Vlaamse samenleving en dat we het Nederlands te weinig status toekennen in de wereld. Hieraan moeten we met z’n allen iets durven te veranderen, want we zijn toch niet bang van het Nederlands en de vele andere talen die in Vlaanderen gesproken worden?

– 21.15-21.30u: vragen en discussie

– 21.30u: Receptie

Over de sprekers

Prof. dr. Filip Devos is hoofddocent Nederlands aan de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Tijdschrift Over Taal (zie:  https://tijdschriftovertaal.wordpress.com/).

Prof. dr. Veronique Hoste is voorzitter van de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent (zie: http://www.vtc.ugent.be/).

Joren Somers  studeerde Engelse, Duitse en Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Gent. Sinds 2014 werkt hij als leraar Nederlands en Engels aan het Sint-Lievenscollege in Gent, waar hij lesgeeft in de tweede en de derde graad. Hij is kernlid van Het Oog van de Meester, onafhankelijke denkgroep voor onderwijskwaliteit (zie www.oogvandemeester.be).

Paul De Loore is sinds 1979 leraar Nederlands, Engels en esthetica aan het Sint-Janscollege in Sint-Amandsberg. Hij publiceerde in 2013 een artikel over literatuuronderwijs in Vlaanderen in Ons Erfdeel: ‘Moet er nog kaas zijn?’. Hij is kernlid van Het Oog van de Meester, onafhankelijke denkgroep voor onderwijskwaliteit (zie www.oogvandemeester.be).

Prof. dr. Jordi Casteleyn is verantwoordelijk voor de opleidingsonderdelen Didactiek Nederlands, Didactiek Nederlands aan anderstaligen, en Talenbeleid bij de Antwerp School of Education (Universiteit Antwerpen). Hij doet onderzoek naar het verbeteren van lees- en spreekvaardigheid bij adolescenten. Daarnaast is hij betrokken bij leerplancommissies Nederlands en organisaties zoals Vlaams fonds voor de letteren en Nederlandse Taalunie.

Prof. dr. Robert M. De Keyser is licentiaat Romaanse Filologie (KULeuven, 1979) en Doctor of Philosophy in Education (Stanford University, 1986). Sinds 2005 is hij Professor of Second Language Acquisition aan de University of Maryland (USA). Hij is een wereldautoriteit op het gebied van tweedetaalverwerving.

Dr. Kevin R. De Coninck is doctor in de Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Gent, voormalig kabinetsmedewerker van Freya Van den Bossche en Fatma Pehlivan (sp.a) en senior adviseur bij de Nederlandse Taalunie. Hij heeft zich gespecialiseerd in taalbeleid en schrijft hierover uit eigen naam opiniestukken voor het Vermeylenfonds.

Nieuwsbrief maart 2019

Talenonderwijs in crisis

Verwonderd dat het aantal kandidaat-filologen slinkt? Sla er eens een paar schoolboeken vreemde talen en Nederlands van het middelbaar onderwijs op na; bekijk de leerplannen. De jarenlange, eenzijdige focus op communicatieve vaardigheden heeft het interessantste en zinvolste onderdeel van het talenonderwijs: literatuur en cultuur, gemarginaliseerd. Wil je jongeren motiveren om talen te studeren, geef dan weer volop literatuur!

Paul De Loore, leraar Nederlands, in naam van het Oog van de meester

Vindt u ook dat taalonderwijs meer moet bieden dan communicatie? Neem deel aan de opiniepeiling op onze Facebookpagina: https://www.facebook.com/oogvdmeester/

Stuur deze nieuwsbrief door naar collega’s en geïnteresseerden!

Nieuwsbrief november-december 2018

Nuccio Ordine, Het nut van het nutteloze.

Over het belang van een brede culturele vorming

 

Op 1 juni 2018 gaf de Vlaamse regering haar goedkeuring aan het decreet voor de modernisering van het secundair onderwijs die van start moet gaan op 1 september 2019. Sindsdien draaien de leerplancommissies van de nieuwe leerplannen eerste graad op volle toeren.

In de hoop dat de nieuwe leerplannen en eindtermen vanuit een niet al te functionalistisch wereldbeeld tot stand mogen komen, willen we speciaal ter attentie van de leerplanmakers een boek van Nuccio Ordine onder de aandacht brengen.

Deze briljante hoogleraar Italiaanse Literatuur van de universiteit van Calabrië is aan een indrukwekkend aantal hoogwaardige internationale instituten verbonden, zoals Harvard en Yale, de Alexander von Humboldt Stiftung, New York University, de Ecole Normale Supérieure van Parijs, het Max Planck Institut en het Warburg Institute. Zijn boeken zijn over de hele wereld in vertaling verschenen.

Het boek waar het hier over gaat, ‘Het nut van het nutteloze’, werd een enorme bestseller in tal van Europese landen.

In dit manifest laat Ordine een stoet van auteurs voorbijtrekken die de hele geschiedenis door gewezen hebben op het belang van het onbaatzuchtig verwerven van kennis, ‘zonder enig verband met een praktische en commerciële toepassing’.

In de inleiding legt hij uit wat hem hiertoe bewogen heeft: het nietsontziende  rendementsdenken tast maatschappelijk steeds verder om zich heen en ‘verstikt langzaam maar zeker het historisch geheugen, de geesteswetenschappen, de klassieke talen, het historisch perspectief, het onderwijs, het vrije onderzoek, de verbeeldingskracht, de kunsten, het kritische denken en elk maatschappelijk vergezicht, terwijl deze zaken juist alle menselijk handelen zouden dienen te inspireren en verheffen naar een hoger plan.’

Dit rendementsdenken stuurt in het onderwijs steeds sterker aan op één op één resultaten zonder de omweg van de algemeen vormende ‘Bildung’.

Hoe ver dit rendementsdenken op een sluipende manier ons hele denken en spreken is gaan domineren, kreeg een opmerkelijke illustratie in de terminologie waarmee psycholoog Wouter Duyck sprak over hoogbegaafde leerlingen in De Standaard van 6 november: ‘Onderzoek heeft aangetoond dat een extra IQ-punt bij de toppers op school een land 410 euro bruto nationaal product extra oplevert per inwoner.’ Puur kwantitatieve economische weging als voornaamste reden om extra zorg aan hoogbegaafdheid te besteden. Alsof de ontplooiing van de totale mens op zich van bijkomstig belang is…

Het onschatbare belang van een brede culturele vorming verduidelijkt Ordine met een metafoor, wanneer hij de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace citeert in een toespraak die hij op 21 mei 2005 hield voor een groep afgestudeerden. In een verhaaltje illustreert deze de rol en de functie van cultuur: ‘Twee jonge vissen zijn aan het zwemmen en op een goed moment komt hen een oudere vis tegemoet die hen groet met de woorden:’Dag jongens, hoe is het water?’ De twee jonge vissen zwemmen door, kijken elkaar aan en zeggen: ‘Wat is in godsnaam water?’

Net als deze twee jonge vissen, aldus Ordine, geven ook wij ons geen rekenschap van de leefwereld waarin we ons hele bestaan doorbrengen. We beseffen veel te weinig dat de literatuur en de humaniora, de cultuur en het onderwijs het vruchtwater zijn waarin onze denkbeelden over democratie, over vrijheid, over rechtvaardigheid, over gelijkheid, over tolerantie, over vrijheid van meningsuiting, ja over het algemeen welzijn, kunnen groeien en bloeien.

Ook hiervoor leverde De Standaard een pijnlijke illustratie met de column van Benno Barnard. Barnard reageerde op de recensie in DS over de uitvoering van ‘Et exspecto resurrectionem mortuorum’ van Olivier Messiaen door I Solisti op 27 oktober in De Singel, een werk dat de doden van beide wereldoorlogen gedenkt. Bij de uitvoering werden de titels van de vijf delen geprojecteerd, bijbelverzen zoals ‘Uit de diepten roep ik tot U, o Heer’, Psalm 130. Ook als Messiaen een geharde republikeinse godloochenaar was geweest, aldus Barnard, zou het niemand verbazen dat een muziekstuk gewijd aan zestig miljoen doden vergezeld gaat van citaten uit de Bijbel. Die bibliotheek bevat onze oudste collectieve noties over het menselijk leven en sterven, waarvan de belangrijkste luidt dat het leven de dood overwint.

Maar, zo stond in de recensie te lezen, ‘hun dogmatische religieuze boodschap drong niet meteen door (…) later werd de bedenkelijke ideologie van Messiaens muziek plots voelbaar’. Barnard: ‘Ook menig atheïst (Messiaen was katholiek) met smaak en gevoel en kennis van de Europese beschaving zal opkijken bij de bewering dat enkele van de ontroerendste woorden uit onze traditie, tekstflarden die het leven boven de dood verheffen, uitingen van een soort kwaadaardig fundamentalisme zouden zijn’.

Dat een dergelijke recensie kan geschreven worden, toont dat ook recensenten steeds meer een brede culturele achtergrond missen om kunstwerken juist in te schatten en blijkbaar gespeend zijn van de wetenschappelijke correctheid om gebrek aan kennis te compenseren met grondig opzoekwerk.

Het werk van Nuccio Ordine is een waar genot om van kaft tot kaft te lezen, als een heerlijke wandeling doorheen de literatuurgeschiedenis, en niet in het minst omdat het als een overvloeiende grabbelton – zoals hij het zelf noemt –  voelbaar maakt hoe voedend en inspirerend een diepgaande omgang met literatuurgeschiedenis kan zijn voor jonge mensen.

In deel III ‘Bezit doodt menselijke waardigheid, liefde, waarheid’ beschrijft Ordine hoe onze hang naar bezit, de motor voor het rendementsdenken, nefast is voor de drie essentiële waarden voor het menselijk geluk.

Zo worden geschiedenissen als ‘de ridder van de gouden bokaal’ uit Orlando Furioso en ‘de misplaatst nieuwsgierige’ uit Don Quichot ontroerende bespiegelingen over de broosheid van de liefde. Ze nodigen  uit om af te zien van de idee van absolute waarheid, om de medemens te vertrouwen en het besef te aanvaarden dat elke verovering altijd tijdelijk is, onzeker blijft en bloot staat aan verlies.

Zo is ook Boccaccio’s beroemde vertelling van de drie ringen – bij de netelige vraag over de juiste godsdienst – een aansporing tot wederzijds respect, tot verdraagzaamheid en tot beschaafd samenleven.

Of hoe literatuur levenslange lering is voor het leven.

Rosine Van Oost.

Nieuwsbrief september 2018

Beste leden van het Oog van de Meester,

Bij wijze van nieuwsbrief bij het begin van het nieuwe schooljaar sturen wij u de vijf raadgevingen die Rik Torfs ons bij het begin van de grote vakantie in Knack (4 juli 2018)  heeft gegeven:

  1. Ken uw vak en bemin het:
    We willen hier nog eens herhalen dat onze vereniging zich tot doel stelt de vakinhouden in het onderwijs te (her)waarderen, en daarmee ook de leraar in de eerste plaats als vakexpert te zien.
  2. Volg de regels niet:
    We willen de Vlaamse leraar en lerares oproepen tot enige burgerlijke ongehoorzaamheid inzake administratieve taken die soms belangrijker schijnen te zijn dan het lesgeven. De ziekelijke verplichting om alles in dossiers te vermelden en op te lijsten, maakt de leraar tot bureaucraat.
  3. Beperk u niet tot kennisoverdracht:
    Ons pleidooi voor de (her)waardering van vakinhouden houdt geenszins in dat we ons zouden willen beperken tot enkel kennisoverdracht; integendeel, we zijn ervan overtuigd dat overdracht van kennis de basis is voor het ontwikkelen van vaardigheden bij de leerlingen.
  4. Stimuleer nieuwe vaardigheden, maar vergeet de oude niet:
    Bij vaardigheden wordt al te vaak gedacht aan ‘nieuwe’ (bvb. digitale, sociale, emotionele,… vaardigheden) en raken de ‘oude’ vaardigheden (correct schrijven, formules uit het hoofd leren,…) in de vergeethoek. We pleiten voor een (her)waardering van deze ‘oude’ vaardigheden omdat die ook leiden tot de ontwikkeling van de ‘nieuwe’.
  5. Stimuleer de ongelijkheid tussen uw leerlingen:
    Met deze laatste raad willen we ingaan tegen het mantra van de gelijkheid; onze leerlingen zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk. We erkennen dat leerlingen verschillende talenten hebben die we niet mogen fnuiken door het aanbieden van eenheidsworst.

Als bijlage vindt u de vijf raadgevingen die als affiche kunnen worden afgedrukt en in de leraarskamer uitgehangen.

Download de affiche:

5 Tips van Torfs

Nieuwsbrief juli 2018

De toestand van het Nederlands in het Vlaams onderwijs – verslag van een studiedag

 

Het Oog van de Meester werkt samen met UCSIA – het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen, een centrum dat verbonden is aan de Universiteit Antwerpen en dat interessante studiedagen organiseert over onder meer onderwijs. Alarmerende berichten in de pers en noodkreten van collega’s deden de noodzaak aanvoelen van een studiedag rond de toestand van het Nederlands (niet enkel het vak!) in ons onderwijs. Een kort verslagje over die namiddag.

  

Op 30 mei 2018 organiseerde UCSIA een vierde studienamiddag over onderwijsbeleid, ditmaal gewijd aan het thema ‘Het onderwijs Nederlands vandaag: leert men nog lezen op school?’. De UCSIA onderwijsdialoogdagen beogen een uitwisseling over actuele vraagstukken van het onderwijsbeleid met academische duiding en bijdragen van professionele actoren uit het onderwijsveld. De studiedag werd bijgewoond door een vijftigtal taaldocenten, pedagogische begeleiders en vormers in leerkrachtenopleidingen, schooldirecteurs, bestuurders, beleidsmakers, onderzoekers en uitgevers van leerboeken. De inhoud werd ontwikkeld in samenwerking met Jordi Casteleyn van de Antwerp School for Education, op basis van een recent beleidsdocument van de Nederlandse Taalunie (Iedereen Taalcompetent!, 2017), dat hij mee ontwikkelde en voorlag bij de definiëring van de nieuwe eindtermen voor het Vlaamse Secundair Onderwijs.

 

Na een inleidende lezing door Jordi Casteleyn, die aan UA vorming verzorgt in taalonderwijs voor leerkrachten en Steven Vanhooren, senior adviseur bij de Nederlandse Taalunie, volgden twee reeksen van drie rondetafelgesprekken met interactieve uitwisseling met de deelnemers (over taalcompetentie van leerlingen, leerinhouden en methodieken en de rol van de leerkracht).

 

De lezing van Casteleyn en Vanhooren vertrok van de vaststelling dat het onderwijs Nederlands er onvoldoende in slaagt om in te spelen op de verwachtingen van de samenleving, van de arbeidsmarkt, van het hoger onderwijs en van de jongeren zelf.  Uit resultaten van PISA (Programme for International Student Assessment) en PIRLS (Programme in International Reading Literature Study) blijkt dat de leesvaardigheid van Vlaamse leerlingen uit basis- en secundair onderwijs snel achteruit gaat. 15% van de Vlaamse volwassenen zijn laaggeletterd wegens vroegtijdig schoolverlaten, 17% van de leerlingen uit het lager onderwijs haalt leesniveau 2 niet en slechts 24% geeft aan plezier te vinden in lezen.

 

Zij belichtten enkele saillante bevindingen uit onderzoek. Antwerpen vormt een interessante case met uiteenlopende resultaten per wijk; zo heeft Borgerhout het grootste aantal laaggeletterde leerlingen en Brasschaat het laagste.

Leesvaardigheid is neurologisch vaststelbaar; het activeert de hersenen. Het heeft ook een maatschappelijke impact; zonder leesvaardigheid heb je geen toegang tot essentiële informatie, een voorwaarde tot democratisering.

Onderzoek naar leerlingen in het lager onderwijs (over leerlingen ouder dan 12 jaar bestaat veel minder onderzoek) leert ons dat de verschillende aspecten van taalverwerving, technisch lezen, domeinkennis en metacognitie, leesmotivatie en leesstrategieën, best gecombineerd worden (i.p.v. dit consecutief en verkokerd aan te bieden) en dat het effect van onderwijs in leesstrategieën vanaf 14 jaar verwaarloosbaar is. Vandaar dat het aanbevolen is om verschillende aanpakken en geen extra uren aan lezen te besteden buiten het lessenrooster. Er is meer nood aan samenhang tussen de materies lezen en luisteren, spreken en schrijven en tussen vakken; er is weinig overdracht van kennis Nederlands naar andere vakken.

De resultaten van wetenschappelijk onderzoek bereiken de onderwijspraktijk nog onvoldoende.

 

Het beleidsdocument van de Nederlandse Taalunie werd ontwikkeld op vraag van de Vlaamse Minister van Onderwijs. Het wettelijke kader dat voorziet in nieuwe minimumdoelstellingen in 16 sleutelcompetenties (i.p.v. vakgebonden competenties), opent mogelijkheden voor meer samenhang en aandacht voor bevindingen uit onderzoek.

 

Na deze inleiding volgden twee reeksen interactieve gesprekstafels, respectievelijk gewijd aan:

  1. Voor welke uitdagingen staan we?

Ontwikkeling van taalcompetentie bij leerlingen

 

  1. Hoe pakken we dit aan?

Het vak Nederlands: leerinhouden en methodiek

 

  1. Wie doet het?

De rol van de leerkracht: vorming en ondersteuning

 

Dit werd door de moderatoren teruggekoppeld naar het publiek in een afsluitende panelsessie.

 

In de gesprekstafel 1 (gemodereerd door Edwig Van Elsen, pedagogisch directeur van het Xaveriuscollege in Borgerhout en Steven Vanhooren van de Taalunie) werd er aandacht besteed aan vakoverschrijdende aanpakken zoals co-teaching, aan de rol van meertaligheid op school, aan de moeite die leerlingen hebben om samenhangende syntheses te schrijven (wat wijst op tekortkomingen in begrijpend lezen).

 

In gesprekstafel 2 (gemodereerd door Jordi Casteleyn en collega’s van de Antwerp School for Education) werd invulling gegeven aan een mogelijke verruiming van teksten (in woord en beeld) die als lesmateriaal kunnen worden binnengebracht, met aandacht voor actualiteit, internationale literatuur, theater … en aan de ontwikkeling van het leesplezier.

 

In gesprekstafel 3 (gemodereerd door Agnes Claeys en Kris De Boel, leerkrachten van de Sint-Bavohumaniora in Gent) werd het belang van grammatica en taalbeschouwing als instrumenten die het taalonderricht structureren, besproken, alsook de positie van de leerkracht, wiens autonomie en vakkennis meer erkenning verdienen, terwijl de vorming van jonge leerkrachten meer aandacht verdient.

 

Barbara Segaert (medewerkster UCSIA – Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen)

Nieuwsbrief mei 2018

Verontrustende berichten in de krant naar aanleiding van wetenschappelijk onderzoek naar de kennis van het Nederlands bij onze leerlingen. Vertwijfeling bij de collega’s leraren Nederlands over de leerplannen: ‘Dat mogen we ook al niet meer vragen!’ ‘Dat kunnen ze ook al niet meer!’ Onbegrip bij de andere collega’s, bij ouders, bij werkgevers: waar gaat het met het onderwijs Nederlands naar toe in Vlaanderen?

UCSIA wil zich niet beperken tot de vaak ontmoedigende vaststellingen, maar wil antwoorden bieden:

UCSIA

Nieuwsbrief februari 2018

Over de tijdsbesteding van de leraar

Meten is weten, luidt het adagium van deze tijd. Bijgevolg worden wij, leraren, om de oren geslagen met een waaier aan onderzoeken en ondervragingen die allerlei aan het onderwijs gerelateerde zaken zoals leerwinst en welbevinden van leerlingen proberen te meten. En het gaat niet altijd over pedagogische aangelegenheden – ook de straling van wifi-apparatuur waaraan wij in de klas blootstaan wordt gemeten. Dit alles natuurlijk voor het goed van leerling, leraar en school.
Eén van de jongste loten aan de sterk groeiende boom van enquêtes zijn de onderzoeken waarmee men de tijdsbesteding van leraars wil nagaan. Vorige maand hield De Standaard zo’n enquête en nu loopt er het door de overheid bestelde Grote Tijdsonderzoek waaraan alle leraars van Vlaanderen, zo ze dat willen, kunnen deelnemen. Er wordt dan voor jou (niet door jou) een week uitgekozen waarin je je tijdsbesteding minutieus moet bijhouden. Ook ik heb me als vrijwilliger aangemeld, niet zozeer omdat we een groot voorstander van dergelijke onderzoeken zijn (we willen hieronder eerder het nut ervan in vraag stellen), maar eerder uit nieuwsgierigheid: wat zal men mij allemaal vragen? Omdat ik van het onderzoeksbureau het bericht heb gekregen dat de voor mij uitgelote week die van 17 maart is, kan ik inhoudelijk nog niet veel kwijt over het Grote Tijdsonderzoek, maar misschien vallen er toch al enkele bedenkingen bij dergelijk initiatief te formuleren.
Als leraren – en ik spits mij toe op het middelbaar onderwijs – kennen wij weken die min of meer normaal verlopen maar ook hectische weken waarbij we van het ene naar het andere hollen en er zoveel te doen is op een school dat in zo’n week het twintigtal lesuren eerder bijzaak dan hoofdzaak lijkt. Als je het ons vraagt: geen goede zaak voor de kwaliteit van die lesuren. We hopen dat het Grote Tijdsonderzoek die ongelijkheid tussen de weken in rekening brengt.
Ten tweede – maar hierover gaan we niet uitweiden want dit zou open deuren intrappen zijn – is les geven in klas A niet gelijk aan les geven in klas B, in school A niet gelijk aan in school B, op tijdstip A niet gelijk aan op tijdstip B,…
Ten derde: het is maar wat je invult op dergelijke enquêtes! Zal ik dat boek dat ik lees of die lezing waar ik heenga ook invullen als lesvoorbereiding? Paradox van de meetbaarheid: scholen verplichten leraren de nascholingen die ze volgen in te vullen op een lijst die voor alle collega’s toegankelijk is, en zo zie je dat de ene er alles op invult (“Lectuur van artikel x uit krant y van dag z”) en de andere nauwelijks iets. Wie heeft zich nu het meest nageschoold?
Ten vierde – een fundamentelere kritiek-: een lesuur kost veel zweet, bloed (van onder de nagels) en soms tranen (van onmacht). Dit geldt voor nog veel andere beroepen en bezigheden, maar telkens toch op een heel specifieke manier. Hoe kan men nu de drie kwartier die een les ongeveer duurt objectiveren en vergelijken met drie kwartier voetballen, drie kwartier een geneeskundige handeling uitvoeren, drie kwartier een dossier doornemen, drie kwartier achter een vuilkar hollen, drie kwartier een akker ploegen,…?
Drie kwartier is niet gelijk aan drie kwartier, en onze gerichtheid op de mechanische tijd – iets waar we nog niet langer dan vier eeuwen door geobsedeerd zijn – verblindt ons, erger nog, creëert een sfeer van jaloezie tussen de beroepen. Annelies De Waele vraagt zich dan ook terecht af, in haar column in DS van 9 januari ll. : “Ik vraag me af welk onderzoek, geleid door welke specialist ook, in staat is om al die nuances te vatten en zo de kritiek op het onderwijs eens en voor altijd te counteren.”
Naar verluidt is ook de vakbond vragende partij voor een dergelijke enquête, precies om de kritiek op het onderwijs te counteren. Maar de vakbond moet oppassen niet in hetzelfde discours van meetbaarheid terecht te komen! Er zijn profetische stemmen binnen de vakbond die dat gevaar scherp inzien. In de discussie over de vraag of onderwijs al dan niet als zwaar werk moet beschouwd worden besliste de minister van pensioenen onlangs dat emotionele belasting geen criterium in die discussie mag zijn. Marianne Coopman, algemeen secretaris van de christelijke onderwijsvakbond, reageerde gevat in DS van 29 januari ll.: “Opnieuw wordt er beslist om in de beoordeling van het onderwijzersberoep uitsluitend rekening te houden met wat je exact kan meten. Het is een visie die totaal voorbij gaat aan de essentie van onderwijs, namelijk dat het altijd en elke dag opnieuw een ontmoeting is tussen mensen. Tussen een leraar en zijn leerlingen. En in die relatie zal de leraar altijd het beste van zichzelf willen geven, en dat in niet evidente omstandigheden. De impact die die ontmoeting heeft, kan je niet in getalletjes vatten. Je kan er over getuigen, je kan er lichamelijke klachten aan overhouden, je kan er uiteindelijk aan onderdoor gaan, maar het exact in cijfers uitdrukken, is niet mogelijk.”

Met het Oog van de Meester vrezen we dus dat het Grote Tijdsonderzoek een maat voor niets wordt. Of men herstelt/behoudt het vertrouwen in onderwijs, of men holt dit vertrouwen verder uit, met als pijnlijke gevolg dat we over enkele jaren niet meer zullen spreken over onze lesopdracht maar over hoeveel uur we op school moeten zijn. Geen lesopdracht in vrijheid en verantwoordelijkheid maar een slaafse en conformistische schoolopdracht, afgedwongen door prikklok, management en publieke opinie.
Kris De Boel, namens het Oog van de Meester

Nieuwsbrief november 2017

Handboeken….   een noodzakelijk kwaad?

Handboeken. De meeste scholen gebruiken ze. De reden ligt voor de hand: leraren willen in orde zijn voor de doorlichting, dus het leerplan realiseren. De veiligste, gemakkelijkste, minst tijdrovende weg is een handboek dat beantwoordt aan de eisen van het leerplan (en dus ook van de eindtermen).

We hebben daar begrip voor. Het is inderdaad verleidelijk gebruik te maken van handboeken met kant-en-klare invulwerkboeken en dito lerarenhandleiding, waarin alle antwoorden netjes voorgekauwd staan. Met bordboeken wordt het nog eenvoudiger. Alle antwoorden worden eenvoudig geprojecteerd. Leraren hoeven niet zelf na te denken over de inhoud van hun lessen en een gepaste methodiek, ze hoeven zelf geen materiaal bij elkaar te zoeken, maar zijn natuurlijk wel overgeleverd aan de keuze van de handboeksamenstellers.

Handboeken met invulwerkboeken zijn ook gemakkelijk voor de leerlingen. Maar zo leren ze niet langer hoe ze notities moeten nemen, hoe ze hoofd- van bijzaken moeten onderscheiden, kortom hoe ze moeten studeren, structureren en schrijven. Steriele, weinig inspirerende lessen en betwijfelbare ‘leerwinst’ gegarandeerd, maar wel in orde voor de doorlichting. Het zal de uitgeverijen een zorg wezen. (zie ook De Standaard, 21, 22 en 23 aug.’17).

Voor de ouders zijn handboeken een financieel offer. Een volledig boekenpakket kan tot €250 oplopen. Voor de uitgeverijen een bijzonder lucratieve zaak. De reden waarom invulwerkboeken massaal worden uitgegeven en verkocht, is in de eerste plaats omdat elk jaar opnieuw een nieuwe lichting leerlingen verplicht wordt zo’n werkboek aan te schaffen, terwijl basisboeken kunnen gehuurd of doorverkocht worden. Kassa-kassa voor de uitgeverij.

Wij hebben ons kritisch gebogen over handboeken van verschillende uitgeverijen voor het vak Nederlands in het vierde jaar ASO. Het is uiteraard niet de bedoeling hier een bepaalde methode aan te prijzen en andere de grond in te boren.

Eerste constatering: de handboeken hanteren allemaal dezelfde aanpak en zijn inhoudelijk zeer gelijkaardig.

Het uitgangspunt van alle methodes is: inspelen op de leefwereld van de leerlingen, want dat zullen ze ‘leuk’ vinden. Bijna uitsluitend tekstsoorten uit de entertainmentsfeer dus: stationsromannetjes, misdaad, thrillers, horror, fantasy, humor, strips en graphic novels, popsongs, toegankelijke gedichtjes, sms-poëzie, zakelijke artikel(tje)s over de klassieke jongerenproblemen: eetstoornissen, verliefdheid, rolpatronen, lichaamstaal, sociale media, series, soaps, games, festivals, gezondheid, jongerentaal, reclame, teleshopping….  Thema’s die in alle taalvakken steeds weer opnieuw, tot in den treure, worden aangesneden.

Inhoudelijke tekstvragen peilen zelden naar tekstbegrip; het volstaat dat de tekst letterlijk wordt overgeschreven.

Geloven die handboekmakers nu werkelijk dat zij jongeren kunnen lijmen door de kaart van de jongerencultuur te trekken? Dat die jongeren die strategie niet onmiddellijk doorhebben en doorprikken? Weten zij dan niet dat jongeren hun eigen leefwereld honderd keer beter kennen dan wij; dat zij er hoegenaamd niet op zitten te wachten om door volwassenen over hun eigen leefwereld geïnstrueerd te worden; dat er over die jongerenwereld voor hen niets te leren valt?

Beseffen zij niet dat zij op die manier jongeren de kans ontnemen zich intellectueel te ontwikkelen? Dat vele begaafde jongeren vier jaar lang in het vak Nederlands op hun honger zitten? Dat zij vier lang lang het vak Nederlands als ‘zinloos’ ervaren? Dat leraren Nederlands van de eerste graad op basis van de handboeken die zij gebruiken vaak geen enkele zinvolle examenvraag meer kunnen verzinnen, omdat er zo weinig kennis wordt aangeboden.

Getuigt dit alles niet van een schromelijke onderschatting van wat jonge mensen aankunnen?

Is het niet onze plicht hen het beste van wat onze taal heeft voortgebracht aan te bieden, en dat vanaf het eerste middelbaar?

De literaire genres die van oudsher in het vierde jaar aan bod komen (sprookje, mythe, sage, legende, kortverhaal, …) worden niet langer als basisleerstof aangeboden en bovendien vaak versimpeld en opgeleukt (urban legends, bewerkingen van sprookjes, Disney,…). Ook hier weer een verregaande verleuking, disneyficering en infantilisering.

De laatste drie jaren van het ASO bieden nochtans een unieke kans om jonge mensen een grondige kennismaking aan te reiken met de grote thema’s en genres van de wereldliteratuur. In deze kostbare jaren, waarin de jonge geest maximaal ontvankelijk is voor kennisverwerving en verdieping, is het een bijna misdadige tijdverspilling om hen niet de opstap naar de echte literatuur te laten maken. Mythen, sprookjes en sagen bevatten vaak oerthema’s en archetypen die mogelijkheden bieden om op grote literaire werken te anticiperen, mits ze met voldoende diepgang worden behandeld. Veel leerlingen zullen hierna nauwelijks nog de kans krijgen om hier grondig kennis mee te maken.

Zich leren inleven in grote emoties is een noodzakelijke voorwaarde om later in staat te zijn zich te kunnen verplaatsen in de emoties van anderen. En juist het ontbreken van dit empathisch vermogen is één van de tekorten van onze tijd.

Moeilijk, deze teksten? Helemaal niet; het vraagt alleen wat context en een invoelbare beleving. Te hoog gegrepen? Geenszins, want erg aansluitend bij de levenssfeer van ontluikende pubers en een prima opstap naar een literaire taal. Ingaan tegen banalisering is ook een opdracht van het onderwijs.

De zakelijke teksten in de handboeken spelen in op de actualiteit, maar zijn binnen de kortste keren verouderd. Is het niet evident dat leraren zelf actuele teksten selecteren, teksten die dan ook echt heet van de naald zijn?

Spelling wordt aangeleerd via het ‘farting vierstappenplan’ of bv. een ‘brief aan je ex’, waarin deze laatste wordt bedacht met wansmakelijke scheldwoorden. Moet het onderwijs in een twittertijd, waarin leerlingen steeds meer geconfronteerd worden met grensoverschrijdende vuilbekkerij, geen weerwerk bieden?

Wij constateren ook dat het soms bedroevend is gesteld met de vakkennis van de handboekmakers: meningen die als feiten worden voorgesteld, vergelijkingen die moeten doorgaan voor argumenten, fout woordgebruik, antwoorden waar we zelf niet op zouden komen.

Wij doen dus een oproep aan alle kritische collega’s om niet de gemakkelijke weg te kiezen, de angst voor de doorlichting te overwinnen en zich niet langer te laten lijmen door op winst beluste uitgeverijen, die materiaal van een bedenkelijk niveau aanbieden.

Kritische, creatieve leraren, die bewust met hun vak omgaan, geven de voorkeur aan eigen materiaal verzamelen, waar ze zelf 100% achter kunnen staan, ook al stuit dat op tegenstand van collega’s in de vakgroep.

 

Paul De Loore, Hildegarde Goubert, Rosine Van Oost namens Het oog van de meester