9 december 2019, Leraars opnieuw aan de macht

Johan De Donder in De Standaard

In 1986 schreef Jozef Deleu in het cultuurtijdschrift Ons Erfdeel: ‘Het geschreven woord is de drager van ons ideeëngoed. De krant, het weekblad, het tijdschrift en het boek verlenen onze cultuur inhoud en geestelijke dimensie.’ Hij waarschuwde voor de beeldcultuur die een groeiend analfabetisme veroorzaakte en voor diegenen, die verblind door de technologie, daar geen oog meer voor hadden.

Profetische inzichten, want meer dan dertig jaar later zit het Vlaamse onderwijs in de problemen. Voor leesvaardigheid tuimelt Vlaanderen uit de top-tien van de ­Oeso-landen.

Een belangrijke reden waarom jonge mensen niet graag lezen, is de alles overheersende beeldcultuur. De tweede reden ligt gevoelig, maar moet genoemd worden: de toename van anderstalige leerlingen

De toestand is (nog) niet dramatisch en reparatie is zeker mogelijk. Maar dan moet de macht opnieuw in handen komen van de echte onderwijsexperts: de leraars. Zij moeten, begeleid door sterke leerplannen en verlost van onzinnige taken en de versmachtende inspectie, de inhoud en de ­didactiek bepalen.

Zij kennen hun leerlingen en weten welke onderwijsstrategieën werken. Hun hoofdopdracht is: goed lesgeven. En dan speelt huidskleur hoegenaamd geen rol. Dé oplossing volgens Dirk Geldof (DS 6 december) – gedwongen diversiteit in de leraarskamer – is klinkklare onzin.

De lerarenopleidingen dragen een verpletterende verantwoordelijkheid en vormen een groot deel van de oplossing. De beste studenten kunnen leerkracht worden en dat betekent: streng selecteren. Een doorgedreven professionalisering, onder meer in een goede leesdidactiek, zoals Kris Van den Branden voorstelt (DS 7 december), dient al tijdens de opleiding te gebeuren.

Rond de hete brij draaien

Tegelijk mogen niet langer koepels, ­pedagogen en wetenschappers exclusief ­bepalen wat leraren in de klas moeten doen. Zij hebben het onderwijs decennialang een flinke loer gedraaid. En ze blijven dat helaas doen, nu opnieuw met de modernisering in de eerste graad. Die hangt structureel, inhoudelijk en didactisch met haken en ogen aan elkaar en kan alleen tot nog meer problemen leiden.

Bovendien draaien diezelfde ‘specialisten’ in hun zoektocht naar de oorzaken van het kwaliteitsverlies al geruime tijd rond de hete brij. Dat er iets mis was met de leerplannen, kregen ze nog net over hun lippen. Pas na veel protest van bezorgde leerkrachten en enkele andersdenkende wetenschappers, durven ze toe te geven dat de onderwaardering van kennis en de grote aandacht voor (integrale) vaardigheden misschien wel de verkeerde aanpak was.

Maar oorzaken zoeken in de samen­leving en bij de leerlingen zelf, dat blijft ­taboe. Wel, het is tijd om man en paard te noemen. Deleu had overschot van gelijk: een belangrijke reden waarom nogal wat jonge mensen niet graag lezen, is de alles overheersende beeldcultuur. Correctie: ­onzinnige beeldcultuur. Degelijke beeldjournalistiek, interessante documentaires én goede beeldfictie zijn een mooie aanvulling op boeken, kranten en tijdschriften (op papier of digitaal). Maar non-stop lukraak beeldjes kijken, op tablet, smartphone of laptop, leidt tot vrijblijvend, inhoudsloos consumeren. Kijken is ontspannen, lezen is inspannen. Dat geven jongeren zelfs onomwonden toe. De school moet stevig weerwerk bieden aan die onzinnige beeldcultuur. Een filmpje kijken is geen garantie voor een degelijke les.

Kennis opbouwen

De tweede reden ligt gevoelig, maar moet genoemd worden: de toename van ­anderstalige leerlingen. Maar liefst 35,1 procent van de kinderen tussen 6 en 11 jaar is van buitenlandse afkomst. Voor ­velen onder hen is het Nederlands een taal die ze uitsluitend op school spreken.

Dat is een handicap en leidt tot een ­ongelijke startpositie, veel meer dan de ­sociale achtergrond. Nogal wat kinderen moeten dagelijks zelfs meer dan twee talen hanteren en niet ieder kind is even goed in talen. Bovendien vraagt lezen in een andere taal dan de moedertaal extra inspanning. Zo moeten anderstaligen zich dus dubbel inspannen. Hun woordenschat en grammaticale kennis zijn vaak ontoereikend om zich met gemak, plezier, interesse én de ­nodige concentratie de inhoud van een ­Nederlandstalige tekst eigen te maken.

Doorgedreven taalonderwijs kan niet anders dan een cruciale rol spelen. Elke week lezen, om te genieten, maar vooral om te begrijpen is nog een onderdeel van het herstel. Leesvaardigheid is een leerhouding. Dat verwerven is een lang en geleidelijk proces van geduldig ‘aanleren’ en ‘oefenen’ en is alleen mogelijk dankzij een fundament: de opbouw van een flink lexicon. Kennis dus.

Maar dat geldt niet alleen voor het ­Nederlands en de andere taalvakken. Zo’n leesattitude opbouwen moet in alle lessen een belangrijk onderdeel van de tijdsbesteding zijn en is dus een vakoverschrijdende opdracht. Het is dan ook vreemd dat in het algemene lespakket van de vernieuwde eerste graad de talen klappen krijgen.

Aan de kar trekken

Het is, tot slot, logisch dat leerlingen én ouders hun verantwoordelijkheid nemen. Scholen trekken wel degelijk stevig aan de kar. Ze kunnen evenwel niet in hun eentje leerlingen motiveren om hun leesvaardigheid en leervaardigheden op te krikken.

Jongeren moeten zich, begeleid door ­leraren en ouders, met ambitie en inzet in de school als leer- en werkplek bewegen en bereidheid tonen om te worden opgeleid voor een volwassen leven in een complexe samenleving. Jazeker, school heeft een belangrijke plaats in hun leven. Bij de start van het schooljaar schrijf ik dan ook in mijn klassen op het bord: ‘Studie is succes, Youtube is miserie.’