Nieuwsbrief juli 2018

De toestand van het Nederlands in het Vlaams onderwijs – verslag van een studiedag

 

Het Oog van de Meester werkt samen met UCSIA – het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen, een centrum dat verbonden is aan de Universiteit Antwerpen en dat interessante studiedagen organiseert over onder meer onderwijs. Alarmerende berichten in de pers en noodkreten van collega’s deden de noodzaak aanvoelen van een studiedag rond de toestand van het Nederlands (niet enkel het vak!) in ons onderwijs. Een kort verslagje over die namiddag.

  

Op 30 mei 2018 organiseerde UCSIA een vierde studienamiddag over onderwijsbeleid, ditmaal gewijd aan het thema ‘Het onderwijs Nederlands vandaag: leert men nog lezen op school?’. De UCSIA onderwijsdialoogdagen beogen een uitwisseling over actuele vraagstukken van het onderwijsbeleid met academische duiding en bijdragen van professionele actoren uit het onderwijsveld. De studiedag werd bijgewoond door een vijftigtal taaldocenten, pedagogische begeleiders en vormers in leerkrachtenopleidingen, schooldirecteurs, bestuurders, beleidsmakers, onderzoekers en uitgevers van leerboeken. De inhoud werd ontwikkeld in samenwerking met Jordi Casteleyn van de Antwerp School for Education, op basis van een recent beleidsdocument van de Nederlandse Taalunie (Iedereen Taalcompetent!, 2017), dat hij mee ontwikkelde en voorlag bij de definiëring van de nieuwe eindtermen voor het Vlaamse Secundair Onderwijs.

 

Na een inleidende lezing door Jordi Casteleyn, die aan UA vorming verzorgt in taalonderwijs voor leerkrachten en Steven Vanhooren, senior adviseur bij de Nederlandse Taalunie, volgden twee reeksen van drie rondetafelgesprekken met interactieve uitwisseling met de deelnemers (over taalcompetentie van leerlingen, leerinhouden en methodieken en de rol van de leerkracht).

 

De lezing van Casteleyn en Vanhooren vertrok van de vaststelling dat het onderwijs Nederlands er onvoldoende in slaagt om in te spelen op de verwachtingen van de samenleving, van de arbeidsmarkt, van het hoger onderwijs en van de jongeren zelf.  Uit resultaten van PISA (Programme for International Student Assessment) en PIRLS (Programme in International Reading Literature Study) blijkt dat de leesvaardigheid van Vlaamse leerlingen uit basis- en secundair onderwijs snel achteruit gaat. 15% van de Vlaamse volwassenen zijn laaggeletterd wegens vroegtijdig schoolverlaten, 17% van de leerlingen uit het lager onderwijs haalt leesniveau 2 niet en slechts 24% geeft aan plezier te vinden in lezen.

 

Zij belichtten enkele saillante bevindingen uit onderzoek. Antwerpen vormt een interessante case met uiteenlopende resultaten per wijk; zo heeft Borgerhout het grootste aantal laaggeletterde leerlingen en Brasschaat het laagste.

Leesvaardigheid is neurologisch vaststelbaar; het activeert de hersenen. Het heeft ook een maatschappelijke impact; zonder leesvaardigheid heb je geen toegang tot essentiële informatie, een voorwaarde tot democratisering.

Onderzoek naar leerlingen in het lager onderwijs (over leerlingen ouder dan 12 jaar bestaat veel minder onderzoek) leert ons dat de verschillende aspecten van taalverwerving, technisch lezen, domeinkennis en metacognitie, leesmotivatie en leesstrategieën, best gecombineerd worden (i.p.v. dit consecutief en verkokerd aan te bieden) en dat het effect van onderwijs in leesstrategieën vanaf 14 jaar verwaarloosbaar is. Vandaar dat het aanbevolen is om verschillende aanpakken en geen extra uren aan lezen te besteden buiten het lessenrooster. Er is meer nood aan samenhang tussen de materies lezen en luisteren, spreken en schrijven en tussen vakken; er is weinig overdracht van kennis Nederlands naar andere vakken.

De resultaten van wetenschappelijk onderzoek bereiken de onderwijspraktijk nog onvoldoende.

 

Het beleidsdocument van de Nederlandse Taalunie werd ontwikkeld op vraag van de Vlaamse Minister van Onderwijs. Het wettelijke kader dat voorziet in nieuwe minimumdoelstellingen in 16 sleutelcompetenties (i.p.v. vakgebonden competenties), opent mogelijkheden voor meer samenhang en aandacht voor bevindingen uit onderzoek.

 

Na deze inleiding volgden twee reeksen interactieve gesprekstafels, respectievelijk gewijd aan:

  1. Voor welke uitdagingen staan we?

Ontwikkeling van taalcompetentie bij leerlingen

 

  1. Hoe pakken we dit aan?

Het vak Nederlands: leerinhouden en methodiek

 

  1. Wie doet het?

De rol van de leerkracht: vorming en ondersteuning

 

Dit werd door de moderatoren teruggekoppeld naar het publiek in een afsluitende panelsessie.

 

In de gesprekstafel 1 (gemodereerd door Edwig Van Elsen, pedagogisch directeur van het Xaveriuscollege in Borgerhout en Steven Vanhooren van de Taalunie) werd er aandacht besteed aan vakoverschrijdende aanpakken zoals co-teaching, aan de rol van meertaligheid op school, aan de moeite die leerlingen hebben om samenhangende syntheses te schrijven (wat wijst op tekortkomingen in begrijpend lezen).

 

In gesprekstafel 2 (gemodereerd door Jordi Casteleyn en collega’s van de Antwerp School for Education) werd invulling gegeven aan een mogelijke verruiming van teksten (in woord en beeld) die als lesmateriaal kunnen worden binnengebracht, met aandacht voor actualiteit, internationale literatuur, theater … en aan de ontwikkeling van het leesplezier.

 

In gesprekstafel 3 (gemodereerd door Agnes Claeys en Kris De Boel, leerkrachten van de Sint-Bavohumaniora in Gent) werd het belang van grammatica en taalbeschouwing als instrumenten die het taalonderricht structureren, besproken, alsook de positie van de leerkracht, wiens autonomie en vakkennis meer erkenning verdienen, terwijl de vorming van jonge leerkrachten meer aandacht verdient.

 

Barbara Segaert (medewerkster UCSIA – Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen)