Nieuwsbrief november 2017

Handboeken….   een noodzakelijk kwaad?

Handboeken. De meeste scholen gebruiken ze. De reden ligt voor de hand: leraren willen in orde zijn voor de doorlichting, dus het leerplan realiseren. De veiligste, gemakkelijkste, minst tijdrovende weg is een handboek dat beantwoordt aan de eisen van het leerplan (en dus ook van de eindtermen).

We hebben daar begrip voor. Het is inderdaad verleidelijk gebruik te maken van handboeken met kant-en-klare invulwerkboeken en dito lerarenhandleiding, waarin alle antwoorden netjes voorgekauwd staan. Met bordboeken wordt het nog eenvoudiger. Alle antwoorden worden eenvoudig geprojecteerd. Leraren hoeven niet zelf na te denken over de inhoud van hun lessen en een gepaste methodiek, ze hoeven zelf geen materiaal bij elkaar te zoeken, maar zijn natuurlijk wel overgeleverd aan de keuze van de handboeksamenstellers.

Handboeken met invulwerkboeken zijn ook gemakkelijk voor de leerlingen. Maar zo leren ze niet langer hoe ze notities moeten nemen, hoe ze hoofd- van bijzaken moeten onderscheiden, kortom hoe ze moeten studeren, structureren en schrijven. Steriele, weinig inspirerende lessen en betwijfelbare ‘leerwinst’ gegarandeerd, maar wel in orde voor de doorlichting. Het zal de uitgeverijen een zorg wezen. (zie ook De Standaard, 21, 22 en 23 aug.’17).

Voor de ouders zijn handboeken een financieel offer. Een volledig boekenpakket kan tot €250 oplopen. Voor de uitgeverijen een bijzonder lucratieve zaak. De reden waarom invulwerkboeken massaal worden uitgegeven en verkocht, is in de eerste plaats omdat elk jaar opnieuw een nieuwe lichting leerlingen verplicht wordt zo’n werkboek aan te schaffen, terwijl basisboeken kunnen gehuurd of doorverkocht worden. Kassa-kassa voor de uitgeverij.

Wij hebben ons kritisch gebogen over handboeken van verschillende uitgeverijen voor het vak Nederlands in het vierde jaar ASO. Het is uiteraard niet de bedoeling hier een bepaalde methode aan te prijzen en andere de grond in te boren.

Eerste constatering: de handboeken hanteren allemaal dezelfde aanpak en zijn inhoudelijk zeer gelijkaardig.

Het uitgangspunt van alle methodes is: inspelen op de leefwereld van de leerlingen, want dat zullen ze ‘leuk’ vinden. Bijna uitsluitend tekstsoorten uit de entertainmentsfeer dus: stationsromannetjes, misdaad, thrillers, horror, fantasy, humor, strips en graphic novels, popsongs, toegankelijke gedichtjes, sms-poëzie, zakelijke artikel(tje)s over de klassieke jongerenproblemen: eetstoornissen, verliefdheid, rolpatronen, lichaamstaal, sociale media, series, soaps, games, festivals, gezondheid, jongerentaal, reclame, teleshopping….  Thema’s die in alle taalvakken steeds weer opnieuw, tot in den treure, worden aangesneden.

Inhoudelijke tekstvragen peilen zelden naar tekstbegrip; het volstaat dat de tekst letterlijk wordt overgeschreven.

Geloven die handboekmakers nu werkelijk dat zij jongeren kunnen lijmen door de kaart van de jongerencultuur te trekken? Dat die jongeren die strategie niet onmiddellijk doorhebben en doorprikken? Weten zij dan niet dat jongeren hun eigen leefwereld honderd keer beter kennen dan wij; dat zij er hoegenaamd niet op zitten te wachten om door volwassenen over hun eigen leefwereld geïnstrueerd te worden; dat er over die jongerenwereld voor hen niets te leren valt?

Beseffen zij niet dat zij op die manier jongeren de kans ontnemen zich intellectueel te ontwikkelen? Dat vele begaafde jongeren vier jaar lang in het vak Nederlands op hun honger zitten? Dat zij vier lang lang het vak Nederlands als ‘zinloos’ ervaren? Dat leraren Nederlands van de eerste graad op basis van de handboeken die zij gebruiken vaak geen enkele zinvolle examenvraag meer kunnen verzinnen, omdat er zo weinig kennis wordt aangeboden.

Getuigt dit alles niet van een schromelijke onderschatting van wat jonge mensen aankunnen?

Is het niet onze plicht hen het beste van wat onze taal heeft voortgebracht aan te bieden, en dat vanaf het eerste middelbaar?

De literaire genres die van oudsher in het vierde jaar aan bod komen (sprookje, mythe, sage, legende, kortverhaal, …) worden niet langer als basisleerstof aangeboden en bovendien vaak versimpeld en opgeleukt (urban legends, bewerkingen van sprookjes, Disney,…). Ook hier weer een verregaande verleuking, disneyficering en infantilisering.

De laatste drie jaren van het ASO bieden nochtans een unieke kans om jonge mensen een grondige kennismaking aan te reiken met de grote thema’s en genres van de wereldliteratuur. In deze kostbare jaren, waarin de jonge geest maximaal ontvankelijk is voor kennisverwerving en verdieping, is het een bijna misdadige tijdverspilling om hen niet de opstap naar de echte literatuur te laten maken. Mythen, sprookjes en sagen bevatten vaak oerthema’s en archetypen die mogelijkheden bieden om op grote literaire werken te anticiperen, mits ze met voldoende diepgang worden behandeld. Veel leerlingen zullen hierna nauwelijks nog de kans krijgen om hier grondig kennis mee te maken.

Zich leren inleven in grote emoties is een noodzakelijke voorwaarde om later in staat te zijn zich te kunnen verplaatsen in de emoties van anderen. En juist het ontbreken van dit empathisch vermogen is één van de tekorten van onze tijd.

Moeilijk, deze teksten? Helemaal niet; het vraagt alleen wat context en een invoelbare beleving. Te hoog gegrepen? Geenszins, want erg aansluitend bij de levenssfeer van ontluikende pubers en een prima opstap naar een literaire taal. Ingaan tegen banalisering is ook een opdracht van het onderwijs.

De zakelijke teksten in de handboeken spelen in op de actualiteit, maar zijn binnen de kortste keren verouderd. Is het niet evident dat leraren zelf actuele teksten selecteren, teksten die dan ook echt heet van de naald zijn?

Spelling wordt aangeleerd via het ‘farting vierstappenplan’ of bv. een ‘brief aan je ex’, waarin deze laatste wordt bedacht met wansmakelijke scheldwoorden. Moet het onderwijs in een twittertijd, waarin leerlingen steeds meer geconfronteerd worden met grensoverschrijdende vuilbekkerij, geen weerwerk bieden?

Wij constateren ook dat het soms bedroevend is gesteld met de vakkennis van de handboekmakers: meningen die als feiten worden voorgesteld, vergelijkingen die moeten doorgaan voor argumenten, fout woordgebruik, antwoorden waar we zelf niet op zouden komen.

Wij doen dus een oproep aan alle kritische collega’s om niet de gemakkelijke weg te kiezen, de angst voor de doorlichting te overwinnen en zich niet langer te laten lijmen door op winst beluste uitgeverijen, die materiaal van een bedenkelijk niveau aanbieden.

Kritische, creatieve leraren, die bewust met hun vak omgaan, geven de voorkeur aan eigen materiaal verzamelen, waar ze zelf 100% achter kunnen staan, ook al stuit dat op tegenstand van collega’s in de vakgroep.

 

Paul De Loore, Hildegarde Goubert, Rosine Van Oost namens Het oog van de meester