Nieuwsbrief september 2017

OPEN BRIEF aan Minister van Onderwijs Hilde Crevits, 1 september 2017

Mevrouw de minister

Op het benefietdiner van het Willem Elsschot Genootschap (Antwerpen, 28 maart ‘17) sprak u de volgende gevleugelde woorden: ‘Laat mijn persoonlijke lezing van Elsschot een dubbel pleidooi zijn. In de eerste plaats een pleidooi voor een onderwijs dat jongeren werkelijk ‘meer mens’ maakt. Voor een onderwijs dat niet slechts een opleidingsmodel is, niet slechts een technisch-wetenschappelijke school om vaardigheden en talenten te ontwikkelen, maar ook een vrijplaats die onze jongeren een ruimere menselijke vorming biedt. (…). En laat in dat onderwijs literatuur een vaste plaats hebben. Verhalen als bron van kennis, maar ook als spiegel voor onszelf en onze samenleving, als labo voor onze passies en overtuigingen en als open venster op de wereld.”

Deze woorden zijn ons uit het hart gegrepen en stellen ons gerust: onze minister heeft het hart op de juiste plaats; zij weet waar echt goed onderwijs over gaat: de vorming (noem het gerust ‘Bildung’) van de totale persoon.

Toch moeten wij u wijzen op een discrepantie tussen uw bevlogen onderwijsvisie en de praktijk, waar wij als ervaren leraren dagelijks mee geconfronteerd worden.

Nemen we bv. het belang van literatuur, dat u zo hoog acht. Wie het leerplan Nederlands strikt wil volgen naar de eisen van de inspectie ‘mag’ nog ongeveer één zesde van de lestijd aan literatuur besteden. In de vreemde talen komt de literatuur nog nauwelijks aan bod. Het is toch veel nuttiger een koffie in het Frans te kunnen bestellen dan Baudelaire te lezen? Leraren die dat ‘open venster op de wereld’ en die ‘spiegel voor onszelf’ nog willen aanbieden, worden dus in de subversiviteit gedwongen, gaan hun eigen weg en lappen het leerplan noodgedwongen aan hun laars, tegen de doorlichting en de vakgroep in. Vreemd toch; het zijn net die leraren die hun stempel drukken op jonge mensen in ontwikkeling, en niet zij die volgens het boekje werken. Je leest het overal: De leerkrachten die we ons herinneren, pakten het immers net iets anders aan, vanuit hun eigen persoonlijkheid.’ (K. Daniëls, DS 28 aug.’17)

Het soort onderwijs dat u (en wij) voorstaan, kan alleen gegeven worden door enthousiaste, gepassioneerde en erudiete leraren, die hun vak als een levensroeping zien, die zichzelf voortdurend blijven ontwikkelen (door bv. heel veel te lezen; is dat niet de beste ‘professionalisering’?) en die over voldoende intellectuele bagage en persoonlijkheid beschikken om jonge mensen te inspireren. Ze bestaan nog, in vrijwel alle scholen, gelukkig ook onder de jongeren, maar worden stilaan toch een bedreigde diersoort.

Vooral jonge leraren bezwijken onder de loodzware planlast van jaarplannen, doelstellingen, voorbereidingen, ‘matrices voor testen’, zorgdossiers, correctiewerk… en de verlammende angstpsychose voor de doorlichting (T.de Bleye, DS 9 juni ‘17), vaak ten koste van persoonlijk engagement en bevlogenheid. Geen wonder dat zo velen afhaken of met langdurige burn-outs te kampen krijgen (F. D’Hanis, DS 26-27 aug. ’17).

Meer en meer stemmen gaan op om met het oog op een radicale onderwijshervorming aparte vakken af te schaffen. ICT-ondernemer en docent Peter Hinssen bv. gelooft eerder in ‘interdisciplinaire formats’ met vakoverschrijdende co-teaching die ‘mental agility’ moeten genereren in ‘een wereld die sneller dan ooit verandert’ (The day after tomorrow, 2017). Worden jongeren op die manier breed gevormd of eerder afgericht op de eisen van de arbeidsmarkt? En is die creativiteit niet enkel te bereiken via een goede beheersing van die verguisde vakinhouden o.l.v. beslagen leraren? Kan de leerling het vak niet pas overstijgen wanneer hij er eerst in ondergedompeld werd? Wie de wetten van de fysica, van de wiskunde, van taal, van geschiedenis, … in het hoofd heeft zitten, zal het wel kunnen rooien ‘the day after tomorrow’. De logische volgorde van leren blijft volgens ons: eerst feitenkennis opdoen, dan de verbanden tussen die feiten begrijpen en pas dan creatief omspringen met het geleerde. Veel onderwijsvernieuwers lijken die logica te willen omdraaien. Wat men hierbij trouwens volkomen uit het oog verliest: leraren kiezen hun opleiding nog altijd in de eerste plaats omdat ze gepassioneerd zijn door een vak, een wetenschap, een taal, en omdat ze die liefde willen overbrengen. Als men de vakken afschaft, dreigt men ook de grootste motivatie voor de leraar weg te nemen.

Wat die kennis betreft. In Nederland woedt een discussie tussen voor- en tegenstanders van het zogenaamde ‘nieuwe leren’, waarbij de toegevoegde waarde van school en klaslokaal in vraag wordt gesteld (Is kennis niet een beetje achterhaald?, Trouw 20 aug.’17). De denktank Platform Onderwijs2032 wil het onderwijslandschap voor de komende decennia uittekenen en we herkennen progressieve standpunten, die er op Rousseau-achtige manier van uitgaan dat jongeren niet met kennis, discipline en concentratie moeten lastiggevallen worden, maar dat nieuwe methoden (games,…) het onderwijs aantrekkelijker zullen maken en ervoor zullen zorgen dat leerlingen beter leren. Ook bij ons gaan stemmen op in die richting. Als het regent in Amsterdam druppelt het in Brussel (DS 15-16 juli ’17).

Nog wat noordelijker ligt ‘schoolvoorbeeld’ Finland, zo vaak afgeschilderd als educatief paradijs. Dat de kwaliteit van dat Finse onderwijs voornamelijk te danken is aan de hoge opleidingsgraad van de leraren en de ongeziene autonomie, verantwoordelijkheid en flexibiliteit die Finse leraren genieten in wat en hoe zij onderwijzen, wordt er meestal niet bij gezegd (The Guardian 9 aug.’17). Finse leraren quoteren het werk van hun leerlingen alleen wanneer zij dat nodig achten en niet in functie van rapport of doorlichting. Resultaten en ‘leerwinst’ worden niet gecontroleerd, maar door de leraren zelf samen met de schooldirectie geëvalueerd. Gedetailleerde jaarplannen of verantwoording van wat in de les gezien is, worden niet geëist. Het is bij ons wel even anders…. ‘Wat niet op papier staat, is niet gezien’, zeggen inspecteurs letterlijk. Dat scholen wel degelijk vrij zijn en enkel beoordeeld worden op de realisering van de wettelijk vastgelegde eindtermen, zoals Koen Daniëls poneert (DS 28 aug.’17), klopt niet. De doorlichting beoordeelt scholen immers op de realisering van het leerplan dat zij onderschreven hebben binnen hun koepel. Dat de doorlichting geen uitspraken zou doen over hoe dat leerplan wordt gerealiseerd, klopt al evenmin.

Wat ons onderwijs dus nodig heeft, is een grotere autonomie voor scholen en leraren (L. Boeve, DS 27-27 aug.’17) en meer vertrouwen in de expertise van de leraar. Leraren hebben middelen en tijd nodig om zichzelf geestelijk te ontwikkelen en te verrijken en besteden dus liefst zo weinig mogelijk tijd aan tijdrovend, zinloos papierwerk, waar niemand iets aan heeft.

Mevrouw de minister, wij zijn het roerend met u eens dat de school ‘een vrijplaats’ moet zijn ‘die jongeren een ruimere menselijke vorming biedt’; ‘humanior’ maakt, inderdaad. Wij vrezen alleen dat dit door het beleid zelf onmogelijk wordt gemaakt. Laat deze gedachten, waarin heel veel leraren zich zullen herkennen, een zoveelste oproep zijn vanuit het werkveld om eindelijk gehoord te worden. Wij vliegen er in elk geval met graagte en hart voor het vak en voor de leerlingen weer eens in!    Een leerrijk schooljaar toegewenst,

Stuur deze nieuwsbrief door naar collega’s en geïnteresseerden: www.oogvandemeester.be