Nieuwsbrief april 2017

Digitale media : een zegen én een vloek?

Eind maart maakte DS opnieuw gewag van een Brits-Amerikaans onderzoek (universiteit van Surrey en Harvard Medical School) over het desastreuze slaappatroon van tieners, en de gevolgen hiervan voor hun studiegedrag. Voor een belangrijk deel zou dit te wijten zijn aan hun nachtelijk gebruik van digitale media, omdat het blauwe licht van laptops en tablets de aanmaak van het slaaphormoon melatonine afremt.

Daarmee verwijst dit artikel niet alleen naar de zorgwekkende stijging van digitale verslaving onder jongeren, maar toont het ook aan hoe dit hun hele organisme steeds meer verstoort.

Dit maakt duidelijk hoe actueel het boek ‘Digitale dementie’ van prof. dr. Manfred Spitzer, vermaard Duits neuroloog en geheugenonderzoeker, blijft.  Al heeft het boek destijds een storm aan reacties losgemaakt en is het nog steeds controversieel, dit doet niets af aan de fundamentele vraagstelling naar de plaats van digitale media in het onderwijs en het dagelijks leven van kinderen en jongeren. Te gemakkelijk omarmen we die als nuttig, te snel aanvaarden we ze als onvermijdelijk.

De toon van het boek mag dan soms belerend zijn, Manfred Spitzer propageert niet dat er geen digitale middelen in het onderwijs gebruikt moeten worden. Maar hij pleit wel voor een veel zorgvuldiger en weloverwogen inzet ervan, zodat de kwaliteit van het leren en de sociale vorming niet achteruit gaat. Vooral voor de cruciale ontwikkelingsjaren van het brein (0-18 jaar) maant hij aan tot grote voorzichtigheid. Zijn grote verdienste bestaat er vooral in dat hij met dit grondig wetenschappelijk onderbouwd werk de kat de bel heeft aangebonden, en dit voor lange tijd.

Om dit te illustreren gaan we kort in op twee belangrijke stellingnames van het boek : de werking van ons brein en het belang van lichamelijke ervaringen en schrijven.

 

De werking van ons brein

 

Volgens Spitzer functioneren onze hersenen in belangrijk opzicht als een spier: als ze gebruikt worden, groeien ze. Zoniet, dan verschrompelen ze. Zo hebben orkestmusici een groter hersengebied voor het gehoor. Bovendien is aangetoond dat dit vergrote volume na het leerproces behouden blijft. Hersencellen sterven af en worden door nieuwe vervangen, waarvan is aangetoond dat deze nieuw ontstane cellen bijzonder goed kunnen leren, op voorwaarde dat ze verbinding kunnen maken met de reeds aanwezige structuren. Hoe vindt deze inbouw plaats? Door te leren, d.w.z. iets werkelijk meemaken en verwerken. Bepalend hiervoor is dat niet zomaar iets eenvoudigs wordt geleerd, maar dat de pas gevormde hersencellen door moeilijke taken worden uitgedaagd. Wat is dit ‘moeilijks’ ? Dit zijn opgaven ‘waarbij men een bepaald gedrag moet vertonen in een bepaalde context, op grond van op dat moment aanwezige signalen en in combinatie met in het verleden verworven kennis.’ Het verwerven van inzicht dus.

Steeds vaker hoor je de vraag : waarom zou je nog iets uit het hoofd leren, als je iets eenvoudig op het internet kan opzoeken ? Wat is het nut van feitenkennis ? Parate kennis en feitenmateriaal bieden nu juist de bouwstenen waarmee het brein aan de slag kan gaan, en waarmee de hersens kunnen groeien en getraind worden.

Maar dit veronderstelt meer dan copy&paste, waartoe studenten zich meer en meer beperken als ze een taak of voordracht moeten maken. Als ze met dit werk geen inzichtelijke vragen moeten beantwoorden, geen vergelijkingen of logische structuur moeten maken, dan is er nauwelijks hersenactiviteit.  Wanneer je kennis echter via verschillende kanalen tot je neemt, bv via horen en lezen en bespreken, dan zet deze zich veel dieper vast in het brein. Ook overschrijven is minder nutteloos dan soms gesuggereerd wordt.

Het belang van lichamelijke ervaringen en schrijven

 

Na de geboorte worden hersenen in twee opzichten gevormd. Er komen snelle verbindingen tussen de diverse hersenmodulen en binnen die modulen ontstaan door leerprocessen sporen van toenemende complexiteit.

Bovendien is het zo dat vroege, eenvoudige leerprocessen van doorslaggevend belang zijn voor latere, hogere intellectuele prestaties. Wie op dit lagere niveau geen duidelijke, scherpe en heldere sporen heeft gelegd, kan op hogere niveaus slechts met moeite het abstracte denken aanleren.

Bij de ontwikkeling van de hersenen spelen zintuiglijke ervaringen met de echte wereld een belangrijke rol. Hierdoor worden meerdere hersengebieden tegelijk aangesproken en dat is voor veel leerprocessen cruciaal. Het vervangen van deze zintuiglijke ervaringen door louter kijken naar een Ipad leidt tot een daling van het leerrendement. Een peuter die een trap op en af leert stappen heeft een veel rijkere leerervaring dan als hij een figuurtje op een Ipad dit ziet doen (want hij moet zich weten vast te houden, de diepte van elke trede inschatten, zich veilig weten en zelfvertrouwen ontwikkelen).

Evenzo heeft neurowetenschappelijke onderzoek aangetoond dat alleen als kinderen letters hebben geleerd door ze zelf te schrijven, er behalve visuele hersengebieden ook hersenregio’s actief zijn die normaal gesproken verantwoordelijk zijn voor beweging. Bij letters die aangeleerd waren met een toetsenbord was dit niet het geval. Daaruit kan geconcludeerd worden dat alleen bij het vormen van letters met een pen motorische geheugensporen worden aangelegd, die bij het zien van letters worden geactiveerd; zo wordt de betreffende letter makkelijker herkend. Dit geheugenspoor, dat bevorderlijk is voor het lezen, ontstaat niet bij het typen op een toetsenbord, omdat typebewegingen geen enkel verband houden met de vorm van de letter.

Vandaar dat Spitzer waarschuwt om veel meer onderzoek af te wachten alvorens de training in schrijfvaardigheid met pen en papier af te zwakken.

 Uiteraard is het onbegonnen werk om in dit korte bestek dit belangrijke werk recht te doen. Zo heeft Spitzer het verder ook over sociale netwerken, games , multitasking en stress (als het ontbreken van zelfbeheersing). Voor ieder die professioneel of als ouder dagelijks betrokken is bij de opvoeding van kinderen en jongeren blijft dit boek verplichte lectuur.

Manfred Spitzer, Digitale dementie, hoe wij ons verstand kapot maken, Atlas Contact 2013, ISBN 978904502433