Over het symposium “Moet er vrijheid zijn in onderwijs?” – Leuven, 14 december 2016

Een nieuw begin

Over het symposium “Moet er vrijheid zijn in onderwijs?”  – Leuven, 14 december 2016

Ik wist niet echt waar ik heenging.  De uitgeprinte uitnodiging voor dit symposium, was de enige houvast die ik had. In een aldus onwetende (ik wist werkelijk niet wat te verwachten) maar daardoor ook ontspannen toestand  kwam ik aan in het STUK in Leuven. Het STUK: een kunstencentrum; een plek waar (kunst)creaties ontstaan, zich ontwikkelen en worden getoond.

Achteraf gezien bleek het er allemaal toe te doen: die onbevangen houding van me was de noodzakelijke voorwaarde om hieraan deel te nemen. Hier werd naar een toestand van vrijheid gestreefd! Het ging niet alleen over vrijheid. Dit hele symposium moest je in alle vrijheid beleven. Het belichaamde vrijheid. Zoals de plek waar het doorging: een ruimte ontdaan van enige associatie met onderwijs. Een vrije plek, maar gelukkig niet neutraal. Want ook in deze ruimte zou op die donderdag in december iets ontstaan en iets ontwikkelen. En net als bij de creatie van een kunstwerk werden wij, acteurs in dit ogenschijnlijk geïmproviseerde spel – maar wat was het nu net schitterend geregisseerd!- teruggeworpen op ons archaïsche zelf: en is dat niet de ultieme staat van vrijheid?

Terug naar een soort oertoestand dus. Een toestand waarin een kind zich bevindt: spontaan, onschuldig en onbevooroordeeld. Hoe bereik je dit? Toen één van de initiatiefneemsters het woord nam op het sprekerspodium en het geheel van de aanwezigen publiekelijk toesprak, benadrukte ze sterk de oorspronkelijke betekenis van enkele woorden. Betekenissen die ons de hele dag vergezelden: een symposium was in de klassieke oudheid een bijeenkomst met gesprekken, veelal voorzien van spijs en drank. En het samen spreken werd gezien als een vorm van delibereren: beraadslagen en in overweging nemen. In dit geval zou het gaan om een urgente vraag die ons allen aanbelangt, zoals ons tijdens deze verwelkoming werd verteld: “Moet er vrijheid zijn in onderwijs?”. Een vraag waar geen oplossing of juist antwoord voor bestaat. Het gaat om aftasten en samen van gedachten wisselen.

Om in alle vrijheid en openheid te kunnen spreken, dienden we als gelijken rond de tafel te zitten. Pas later – want wij kenden alleen elkaars voornamen, niet elkaars functies – besefte ik ten volle wat dit betekende: aan je tafel zaten mensen uit alle rangen en standen van het onderwijs! Zowel de diverse netten als de diverse onderwijstypes waren vertegenwoordigd; methodescholen en traditioneel onderwijs; leerkrachten uit kleuter-, lager, middelbaar en hoger onderwijs; onderzoekers en academici; vertegenwoordigers van de staat en van de vakbonden; inspecteurs en pedagogische begeleiders. En zeker niet te vergeten: studenten. Is dat niet wonderlijk en zeer schoon?

 

Maar hoe begin je aan die vraag “Moet er vrijheid zijn in onderwijs” in een ronde tafelgesprek? Er werd een basistekst aan elke deelnemer voorgelegd over de verschillende perspectieven van vrijheid in onderwijs als gespreksbevorderend materiaal: van vrijheid om te komen tot onderwijs (bv. wat is de taak van de overheid) over vrijheid in onderwijs (bv. wat is de autonomie van de school, van de leraar en van de leerling) tot vrijheid door onderwijs.

Daar werd een interessant 21ste eeuws spanningsveld aangebracht: de tweespalt tussen onderwijs als “middel tot het bevorderen van de economische (en Europese) welvaart” en het streven naar scholè waarbij er ruimte wordt gemaakt voor “vrije tijd, rust, uitstel en discussie”. Het gaat hier om school als “een plek waar we als mens en samenleving dat wat we als vanzelfsprekend beschouwen terug in het midden leggen en de tijd nemen om het daarover samen te hebben.” En dat was wat we na het lezen van de tekst deden: er werden voorbereide deelvragen op tafel gelegd. In deze vragenreeksen zat een ontwikkeling: vertrekkend van vragen over de tekst tot meer gerichte vragen over onderwijsvrijheid. Het geanimeerde gesprek werd gemodereerd door gespreksleiders getraind in socratische vaardigheden.

Na twee gespreksrondes volgde er opnieuw een publiekelijk spreken op het podium door enkele onderwijsexperten die bepaalde kwesties bepleitten zoals onderwijs moet de vrijheid van de leerling als doel hebben of een nieuw statuut voor leerkrachten vergelijkbaar aan de orde van de advocaten. Vooral die laatste gedachte prikkelden ons latere gesprek: leerkracht als vrij beroep met oog voor de zelfstandigheid ervan, maar ook deel uitmakend van een school en van een gemeenschap/maatschappij.

De namiddag diende om onze gedachten te ordenen en te stroomlijnen. Het was een goede oefening in het formuleren. De uiteindelijke resultaten werden in plenum voorgesteld en ten slotte meegegeven met een afgevaardigde van de VLOR (Vlaamse Onderwijs Raad). Maar dat vonden we uiteindelijk onbelangrijk. Belangrijker waren de ideeën, het samen schaven en zoeken naar onze antwoorden op een totaal belangeloze wijze. Toen ik later nasoezde van deze prachtige dag en de basistekst opnieuw doornam sprong er toch vooral de laatste zin uit:  “School wordt (…) gezien als een vrije ruimte van ontmoetingen en gesprekken die iets mogelijk maken – een verandering van blik of een transformatie in de geest – zonder dat op voorhand aangegeven kan worden wat deze verandering precies zal zijn.”

Het was alsof de organisatoren van dit symposium voor de ideale geestelijke en fysieke omstandigheden hadden gezorgd, om ons terug te brengen naar de essentie van onderwijs: wat is leraar zijn, wat is school, wat is lesgeven, wie is de leerling, wat is de bedoeling van lesgeven? En eigenlijk ging het nog verder. Want uiteindelijk kwam je tot de filosofische en existentiële vraag: wat is vrijheid? Wat betekent vrijheid voor mij en voor ons?

Dit symposium was een prachtige oefening in samen overleggen, spreken en denken. Het is een oefening die elke school  zou moeten maken om na te denken over de identiteit van de school. Want terugkeren naar de essentie werkt bijzonder bevrijdend en brengt mensen samen. En bovenal: het verhoogt de liefde voor het lesgeven en het onderwijs. Na deze ingrijpende, maar ook plezierige dag voel je je opnieuw als John Keating, de leerkracht uit de film “Dead Poets Society” die werkelijk leefde voor zijn beroep.

Ik ben de organisatoren van dit symposium dan ook zeer dankbaar: Ruth Wouters, Ilse Geerinck en Jeroen Thys werken als onderzoekers voor de expertisecel Education for the Future van UC Leuven-Limburg. Dit symposium maakte deel uit van het onderzoek dat ze voeren.

Anneke Coessens