Nieuwsbrief – februari 2017

Hervorming van secundair onderwijs, een benadering uit cognitief-psychologische hoek

Vroege  studiekeuze of brede eerste graad

Er is heel wat kritiek gekomen op de hervorming van het secundair onderwijs van alle participanten aan het onderwijsdebat: politieke partijen, de VLOR, de koepels, de ouders, waarbij  gesproken werd over ‘gemiste kans’ (Lieven Boeve), ‘vrijblijvend’ (Raymonda Verdijck), een ‘non-hervorming’ (Groen), een dode mus (SP-a), ‘gebrek aan moed’, gebrek aan daadkracht, e.d.

Volgens de critici is het grootste probleem dat de keuzemogelijkheid op 12 jaar (early tracking) bewaard blijft, en ‘dus ‘ook de sociale determinatie van de studiekeuze en het watervalsysteem.

In het boek ‘Visies op onderwijs’ (red. B. Bouckaert, 2014) vinden we een publicatie van Wouter Duyck, professor cognitieve psychologie UGent, en Frederick Anseel, waarin de relatie tussen de socio-economische situatie en de schoolprestaties evenals het probleem van early/late tracking en de invloed ervan op leerprestaties wordt onderzocht op basis van beschikbare, empirische wetenschappelijke evidentie.

Hier volgt een samenvatting van het artikel : ‘Gelijke kansen, gelijke kinderen, gelijke klassen’ van Wouter Duyck.  Wie geïnteresseerd is in de studies waarop deze conclusies zijn gebaseerd, doet er goed aan om het oorspronkelijke rapport te raadplegen.

samenvatting

Wouter Duyck begint met het schetsen van het probleem.

In het huidige systeem, met ‘schotten’ tussen ASO, TSO en BSO, bestaat er een feitelijke – geen structurele (want eigenlijk bestaat er alleen een A-stroom en een B-stroom) –  differentiatie op basis van cognitieve vaardigheden en belangstelling, waarbij het ASO zich richt op kinderen die een hoger abstractieniveau aankunnen dan leerlingen uit TSO/BSO. Uit cijfers blijkt dat ouders de neiging hebben om hun kinderen te laten proberen in het ASO, ongeacht hun cognitieve capaciteiten. Als ze daar te veel moeilijkheden ondervinden worden ze geheroriënteerd naar TSO/BSO en gezien het negatieve imago van TSO/BSO spreekt men hier van een ‘watervalsysteem’.
Leerlingen hebben een faalervaring en raken gedemotiveerd, met schooluitval tot gevolg. Latere differentiatie (late-tracking) zou leerlingen langer tijd laten om hun mogelijkheden en belangstellingsgebieden  te ontdekken.

Een tweede euvel van deze vroege differentiatie is- volgens  sociologen- dat de initiële keuze bepaald wordt door de socio-economische toestand van het gezin, eerder dan door de cognitieve vaardigheden van het kind, een bestendiging of zelfs versterking van ‘ongelijkheid’ dus.

Uit statistische gegevens blijkt inderdaad dat er een relatie is tussen de socio-economische thuissituatie en de afdeling waarin het kind terechtkomt. Als men hier een causaal verband ziet – zoals sociologen plegen te doen – maakt men echter geen onderscheid tussen ongelijkheid in cognitieve vaardigheden en ongelijkheid in termen van socio-economische invloeden op de schoolprestaties. Als men een correlatie ziet tussen schoolprestaties en socio-economische situatie, moet men controleren in welke mate cognitieve vaardigheden een rol spelen. En nu blijkt ook uit statistisch materiaal dat socio-economische situatie en cognitieve vaardigheden vrij hoog gecorreleerd zijn. Het verband tussen keuze voor een afdeling waar eerder concreet/abstract denken verondersteld wordt (TSO-BSO/ASO) en socio-economische situatie ligt dus voor de hand. Het probleem is dat deze materie vooral benaderd wordt vanuit sociologische hoek. Studies uit de cognitieve psychologie, die een heel ander licht werpen op studiekeuze, worden grotendeels  genegeerd.

Een tweede onderzoeksdomein is het effect van early tracking op schoolresultaten. De conclusies zijn gebaseerd op een uitgebreide cross-nationale vergelijkende studie. De resultaten tonen eenduidig aan dat early tracking een positief effect heeft op leerprestaties. Homogene klassen zorgen voor betere prestaties in leesvaardigheden, redeneren, wiskunde e.d. maar ook in artistieke of creatieve vaardigheden, en dat voor zowel sterke, middelmatige als zwakke leerlingen. Er is dus een hoger gemiddeld leerniveau.

In het pleidooi voor late tracking werd steevast verwezen naar het modelland Finland, waarbij deze onderwijsstructuur gekoppeld werd aan een kleinere sociale ongelijkheid. Men houdt daarbij geen rekening met een aantal andere variabelen die in de maatschappij en het onderwijs van belang zijn. Zo kent Finland minder en vooral andere (minder niet-Europese) immigratie en ligt de gemiddelde levensstandaard er hoger dan bij ons. Bovendien zijn alle Finse leraren masters. Dichter bij ons en met een vergelijkbare maatschappelijke structuur, in Nederland, is een recent ingevoerde late tracking mislukt. In Vlaanderen kennen we het falen van het VSO.

Wouter Duyck waarschuwt er ten slotte voor dat beleidsbeslissingen voor onderwijs niet alleen gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de individuele leerling, er zijn ook macro-economische implicaties. Cognitieve ontwikkeling zorgt namelijk voor welvaart voor iedereen op elk niveau van de maatschappelijke ladder. Maar het zijn vooral intellectuele  prestaties van koplopers die voor een verhoging zorgen van het BNP. [1]Het is daarom onrustwekkend dat de PISA-resultaten een dalende trend laten zien, die zich in sterkere mate manifesteert aan de top dan aan de staart van de scores. (W. Duyck verwijst hier naar de resultaten van 2012, maar we hebben intussen gezien dat deze dalende trend zich onverminderd voortzet).

Wetenschappelijke benadering

Wouter Duyck besluit zijn rapport met een pleidooi voor een evenwichtige benadering van de onderwijsproblematiek op basis van wetenschappelijke gegevens uit alle disciplines, wars van iedere ideologie.

[1] Dezelfde bezorgdheid over de negatieve evolutie aan de top werd verwoord door Geert Noels  in De Afspraak van 7 december 2016 naar aanleiding van de publicatie van de PISA-resultaten.